
In Nederland is het staartblauwtje een dwaalgast
waarvan slechts acht waarnemingen bekend zijn.
Het is meer een soort van Zuid- en midden-Frankrijk
waar hij vliegt in vochtige, moerasachtige graslanden, heiden,
bloemrijke bermen en ruigten langs rivieren.
De vlinder vliegt van midden mei tot eind september in meerdere generaties.
De spanwijdte bedraagt ongeveer 22 mm.
De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje violetblauw,
bij het vrouwtje bruin met een blauwe bestuiving.
De onderkant van de vleugels is zilvergrijs
met kleine zwarte stippen en met twee oogvlekken in de achterhoek.
De achtervleugels hebben kleine korte staartjes,
die achter de oogvlekken zitten.
Bij de overige blauwtjes met een zilvergrijze onderkant
(boomblauwtje en dwergblauwtje) ontbreekt de oogvlek.
Het veenbesblauwtje heeft tevens zwarte vlekken langs de achterrand
van de achtervleugel, die bij het staartblauwtje niet aanwezig zijn.
Bij beschadigde vlinders kunnen de staartjes ontbreken.

De rups leeft op rode klaver, vogelwikke,
rolklaver, moerasrolklaver en lupine.
Dit zijn de planten waarop het wijfje haar eitjes
afzonderlijk in de bloemhoofdjes afzet.
Als volwassen rups overwintert hij in de strooisellaag.
Hij lijkt op die van het groentje.
De gordelpop zit laag in de vegetatie.
Terug naar: