
Niet alle blauwtjes zijn blauw.
Dat bewijzen wel de vuurvlinders, maar ook het groentje.
Dit is een klein vlindertje met een voor vlinders unieke kleur.
De bovenzijde vleugels eenkleurig donkerbruin maar de onderzijde
is lichtgroen met flikkerend effect als de vlinder in de zon vliegt.
Alleen fladderend springt het groentje in het oog.
Als hij stil zit, is hij moeilijk te onderscheiden van een blad.
De vleugellengte bedraagt ongeveer 14 mm.
Bij afgevlogen vlinders is de groene kleur op de onderkant van de vleugels deels verdwenen.
Het groentje vliegt van april tot juli op o.a. vuilboom,
paardebloemen en bloeiende dopheide.
Het is een algemeen voorkomende vlinder die lokaal in grote aantallen aanwezig kan zijn.
In Noord- en West Nederland is hij echter afwezig.
Op alle voedselarme zandgronden komt het groentje voor en is met name te vinden
in struwelen aan de rand van heiden en schrale graslanden.

De eitjes worden afzonderlijk op de voedselplant afgezet.
De tot 20 mm lange rups heeft een helder geelachtig groen lijf
met schuine gele strepen en is bedekt met kleine haartjes.
De rups groeit in de voorzomer.
Hij leeft op heide, hulst, brem en bosbes,
waarop de eitjes afzonderlijk zijn afgezet.
De pop, met daarin de al nagenoeg geheel ontwikkelde vlinder,
overwintert in de strooisellaag.
Hij maakt een tsjirpend geluid als je hem aanraakt.
Jaarlijks is er één generatie.
Terug naar: