
De hoofdvliegtijd van de schijn-sparspanner
ligt tussen half april en eind oktober.
In deze tijd zijn er twee generaties.
Hij vliegt op plaatsen waar naaldbomen groeien
dus op de zandgronden en lokaal in de duinen.
De vleugels hebben een spanwijdte van 18 – 25 mm.
In rust staan de vleugels verticaal boven het lichaam;
pas na enige tijd spreiden de vleugels op de ondergrond.
Vroeger werd hij beschouwd als een ondersoort van de sparspanner
en is daar ook moeilijk van te onderscheiden.
Ook het verschil met de naaldboomspanner is zeer klein.
Er kan niet worden uitgegaan van de vleugeltekening
ook al suggereren vele publicaties dat.
De te volgen methode is als volgt.
Eerst bepalen of het een mannetje of een vrouwtje betreft,
de mannen hebben een lang achterlijf en dikke sprieten,
de vrouwen hebben een dik en kort achterlijf.
De vrouwtjes zijn alleen via genitaalonderzoek op naam te brengen.
Bij de mannetjes dienen de sprietleden te worden beoordeeld
(flinke vergroting noodzakelijk).
Er is één lichtpuntje: een bruinig-gekleurde middenband
is een naaldboomspanner (de hoekbanddennenspanner echter
heeft ook vaak een bruine middenband).
De rups leeft op spar en is zeer goed gecamoufleerd.
De afgevreten naalden kunnen hem echter verraden
want alle Thera-soorten laten het laatste deel zitten.
Terug naar: