
Het oranje zandoogje heeft in Nederland twee gescheiden verspreidingsgebieden:
de grensstreek van Friesland en Drenthe en verder Zeeland en de grens van Brabant en Limburg.
Soms is het een zeer talrijke vlinder die met name te vinden is langs bosranden en in ruige graslanden.
Het mannetje heeft zijn territorium in braamstruiken waarbij hij
dwars door de struik vliegt op zoek naar indringers.
Het is een honkvaste soort.
De vlinder vliegt van eind juni tot half september,
altijd in 1 generatie.
Zoals de naam al aangeeft is het een oranje vlinder met een duidelijke brede bruine rand.
Op beide voorvleugels zit één duidelijk, groot oog met twee witte kernen.
Het mannetje heeft een grote zwarte geurstreep op de voorvleugel
en is dieper oranje van kleur dan het vrouwtje.
De vleugellengte bedraagt 16 – 20 mm.
Het oranje zandoogje is te verwarren met de argusvlinder
maar ook met het bruin zandoogje of het bont zandoogje.
Naast de braam houdt het oranje zandoogje van kruiden
en wordt dan ook sterk aangetrokken door de nectargeuren uit bloemen
van onder meer marjolein, munt, valse salie, valeriaan.
Maar de braamstruik is duidelijk favoriet.
Ondanks de goede werking die wij van kruiden kennen
leeft de vlinder maar er maar ongeveer drie weken op.

De lichtgroene of bleek roze-achtig okerkleurige rups heeft met een donkerder ruglijn;
de kleur van die lijn hangt van de grondkleur van de rups af.
De kop is altijd roze-achtig oker en de uitstekende punten
aan de achterkant zijn kort en bleek.
De halfwas rups overwintert verscholen in een graspol.
De rups groeit in de herfst en de daarop volgende lente en voorzomer en wordt tot 25 mm lang.
Als voedsel dienen vele grassoorten zoals beemdgras, straatgras en gierstgras.
De eitjes worden aan de bladbasis van het gras gelegd.
De rups verpopt zich in augustus en overwintert,
diep tussen het gras, om in juni uit te komen.

Terug naar: