Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Klein koolwitje

Pieris rapae
Witjes

Het Kleine Koolwitje komt over bijna de gehele wereld voor.
Hoewel vaak nauwelijks te zien is hij met een spanwijdte
tussen de 45 en 50 mm net iets groter dan het klein geaderd witje.
De twee soorten lijken bovendien erg veel op elkaar, alleen mist het
klein koolwitje de accenten rond de adering op de onderkant van de vleugels.
Die onderkant varieert van een bleek soort geel tot een helder soort
witgeel met heel veel zwarte stippeltjes.
Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is gelijk aan dat van het klein geaderd witje:
beide seksen hebben een donkere tip aan de bovenkant van de voorvleugel.
Daaronder zit één stip bij het mannetje en zitten er twee bij het vrouwtje.
Ook bij deze soort zijn de tweede en volgende generaties vaak iets donkerder,
maar de verschillen vallen nauwelijks op en zijn lang niet zo sterk
als bij het klein geaderd witje.
Bij het groot koolwitje zijn de vleugelpunten zwart in plaats van grijs.

Veel witjes zijn erg aangepast aan het leven in koudere streken en zitten daarom minder vaak
te zonnebaden als veel andere vlinderfamilies.
Je ziet ze dan ook niet zo heel vaak met de vleugels open
en ook bij het bloemenbezoek blijven de vleugels dikwijls dicht.

In de getemperde zones van de wereld, zoals bij ons in de Benelux,
produceert het kleine koolwitje drie, ja soms zelfs vier generaties,
voordat de poppen in winterrust gaan.
De soort heeft bij ons daarom een lange vliegtijd: van half april tot begin oktober.
In warmere streken, zoals op de Canarische Eilanden vindt helemaal
geen winterrust plaats en worden wel 8 generaties in een jaar afgewerkt.
Het popstadium duurt onder gunstige omstandigheden maar kort:
al na twee weken kruipt de volwassen vlinder uit de pop.

De eieren worden afzonderlijk of in kleine groepjes op de bladeren
van de voedselplanten afgezet.
De solitair levende rupsen zijn blauwachtig groen
en bedekt met fijne, kleine zwarte spikkeltjes.
In tegenstelling tot de rups van het klein geaderd witje heeft hij een dunne, lichtgele ruglijn.
De lijn over de stigma's (ademhalingsopeningen) is ook geel maar onvolledig.
Het lichaam is bezet met korte haartjes en de rupsen lijken erg veel op die van andere witjes.

Samen met het groot koolwitje behoort het klein koolwitje
tot de echte plaaggeesten van de mens.
De soort vormt een ernstige bedreiging in de teelt van kool,
radijsjes, mosterdplanten en waterkers.
De rupsen zijn er namelijk dol op!
De grotere rups vreet vooral uit het hart van de koolplant
en kan zo flinke schade veroorzaken.
Daarnaast leeft de rups ook op andere kruisbloemigen
zoals pinksterbloem, judaspenning, wilde reseda en wouw.

Hoewel nog steeds veel gespoten wordt, hanteert men vooral in kassen vaak biologische methodes.
Natuurlijke vijanden van de rupsen worden ingezet om ze te bestrijden.
Erg succesvol is een Europese sluipwesp uit het Apantheles-geslacht,
die ook in de vrije natuur voor een ware slachting onder de rupsen kan zorgen.
Maar, zoals het ook hoort in de natuur, sommige rupsen worden niet geparasiteerd,
vandaar dat vaak een tweede soort wordt ingezet om het effect van de eerste te versterken.
Gelukkig heeft het klein koolwitje nogal wat vijanden:
sommige sluipvliegen zetten hun eitjes graag op de poppen af, een paar soorten lieveheersbeestjes
eten de rupsen op en ook sommige wantsen en een virus kunnen worden ingezet.
Voor velen zal als een verrassing komen dat ook de gewone hooiwagen op de rupsen jaagt.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen