Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Klein geaderd witje

Pieris napi
Witjes

Het klein geaderd witje is in de hele Benelux een van de gewoonste vlinders.
Hij vliegt in twee en vaak zelfs drie overlappende generaties per jaar
tussen half april en eind oktober.
Hij kan vooral in mei, juli en augustus in zeer grote aantallen rondvliegen.
Net als veel andere witjes worden de vleugels tijdens het rusten en het eten
samengeklapt gehouden, zodat de bovenkant van de vleugel meestal onzichtbaar is.

Met een spanwijdte van 35 tot 45 mm is dit een tamelijk klein witje.
Hij lijkt wel wat op andere witjes, vooral op het klein koolwitje.
Toch is hij daarvan gemakkelijk te onderscheiden.
De aderen aan de onderkant van de vleugels
zijn zwaar geaccentueerd in een groenig soort zwart.
Vooral de eerste generatie heeft vaak sterk benadrukte aders.
De latere generaties hebben minder opvallend omzoomde aderen.
Het klein koolwitje heeft soms ook de aderen iets aangezet,
maar altijd in een gelige kleur, veel lichter dus.

Het klein geaderd witje is een erg variabele soort.
Het vrouwtje is altijd meer getekend dan het mannetje.
De vleugeltip is donker en er zijn altijd twee grote,
donkere stippen op de voorvleugel zichtbaar.
De onderste stip kan versmolten zijn met de brede zwarte streep
langs de onderkant van de vleugel.
De tekening kan lichtgrijs zijn bij de voorjaarsgeneratie,
maar is meestal zwart in de latere generaties.

Over het algemeen zijn de vleugels van de mannetjes aan de bovenzijde
bijna geheel wit, vooral bij de eerste generatie.
De mannetjes van de latere generaties hebben nooit meer
dan één enkele zwarte stip.
De stip kan echter bij sommige exemplaren heel erg bleek zijn
en is soms nauwelijks zichtbaar.
De twee vlekken op de bovenkant van de vleugel bij het vrouwtje
zijn heel vaak door de onderkant heen zichtbaar.
Het ene vlekje van het mannetje valt aan de onderkant veel minder op,
zodat het sekse-verschil toch vaak te zien is.

Het klein geaderd witje is lang niet zo schadelijk in de landbouw
als enkele andere soorten, omdat hij niet vaak op kool wordt aangetroffen.
We vinden de rupsen wel op mosterd, maar verder worden heel veel
wilde planten gegeten, zoals look-zonder-look en pinksterbloemen en andere kruisbloemigen.

De volwassen dieren vliegen op heel veel planten.
De voorjaarsgeneratie is verzot op paardebloemen,
de latere generaties op distels.

De blauwachtig groene rups lijkt op die van het boswitje en wordt tot 30 mm lang.
Het lichaam is bedekt met kleine zwarte wratjes; ieder wratje is licht behaard.
De ruglijn is iets donkerder; de zwarte stigma's zijn geel omrand.
De gordelpop overwintert hangend tegen stammen, stenen e.d.


 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen