
Het groot koolwitje lijkt heel erg veel op het klein koolwitje,
maar hij heeft vaak een grotere en donkerder vlek
in de vleugeltip en is groter natuurlijk.
Hij heeft een spanwijdte tot 65 mm en lijkt bovendien vaak nog groter,
omdat hij zijn voor- en achtervleugel meestal niet over elkaar heen schuift,
iets wat we wel vaak tegenkomen bij het klein koolwitje en het klein geaderd witje.
Het mannetje is wat minder getekend dan het vrouwtje.
Hij heeft een donkere vleugeltip maar mist de twee stippen van het vrouwtje.
De eerste generatie vrouwtjes heeft, behalve de donkere vleugeltip,
twee duidelijk zwarte stippen op de voorvleugels en bij de tweede generatie
zijn de twee stippen versmolten tot een zwarte band.
De aders op de onderkant van de achtervleugels zijn niet grijsgroen bestoven.
Hoewel de vlinders bepaald geen elegante vliegers zijn, ze fladderen maar wat rond,
kunnen ze nog steeds fladderen als hun vleugels heel zwaar beschadigd lijken.
De vlinders zijn te zien vanaf begin april tot eind juni
en van begin juli tot half oktober.

Van alle witjes is dit de akeligste verschijning wat de landbouw betreft.
De gele, flesvormige eitjes worden in groepjes afgezet,
komen tamelijk snel uit en de jonge rupsen zijn enorm vraatzuchtig.
Om ze te bestrijden wordt naast gif ook de sluipwesp ingezet.
Maar echt effectief is deze soort niet te bestrijden, omdat ze in de natuur
vaak ook andere voedselplanten uitkiezen, zoals distels,
look-zonder-look en judaspenning.
De rups wordt tot 45 mm lang.
Zijn de rupsen van de meeste witjes tere, groene of bruine,
bijna onbehaarde wezentjes die het van hun schutkleur moeten hebben,
de rups van het groot koolwitje is zwart met gele strepen en vlekken en tamelijk lang behaard.
Dat zijn in de natuur bekende waarschuwingskleuren.
De rups is dan ook giftig voor sommige kleine vogels en oneetbaar voor andere.
Uit de koolplanten haalt het beestje namelijk zwavel, dat hij in het lichaam opslaat,
zodat hij voor veel vijanden een ongenietbaar hapje is.
De jonge rupsen leven in groepsverband en eten vooral de bladranden.
De grotere rups leeft solitair.
Hij verpopt veelal onder een natuurlijk of kunstmatig dakje.
De poppen van de tweede generatie overwinteren,
hangend tegen boomstammen, muren e.d.
Als de winter niet al te grimmig is geweest, komt in maart al
het groot koolwitje uit zijn pop gekropen.

Terug naar: