Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Gele luzernevlinder

Colias hyale
Witjes

De gele luzernevlinder is een niet zo algemene trekvlinder
die van mei tot oktober in ons land gezien kan worden.
Sommige jaren zijn echte invasiejaren: 1947, 1959 en 1964.
De aantallen zijn de afgelopen jaren echter gedaald.
De vlinder vertoeft in graslanden en bermen
met een voorkeur voor klaver- en luzernevelden.
In het zuiden van Europa is dit een standvlinder.

De spanwijdte is ten hoogste 45 mm.
De voorvleugel heeft een spitse vleugelpunt met een donkere tekening
die omvangrijker is dan bij de zuidelijke luzernevlinder.
De zwarte wortelbestuiving is waaiervormig uitgebreid.
De oranje celvlek op de onderkant van de achtervleugel
is vrij licht en niet opvallend, terwijl hij bij de zuidelijke luzernevlinder
door de iets donkerder kleur wel goed opvalt.
De grondkleur van het mannetje is bleek-geel, die van het vrouwtje groenachtig wit.
De gele- en de zuidelijke luzernevlinder lijken bijzonder veel op elkaar.
Een zekere determinatie is dan ook niet altijd mogelijk.
De zuidelijke wordt vrijwel alleen op kalkgraslanden met paardenhoefklaver gezien.
De gele heeft weliswaar voorkeur voor klaver- en luzernevelden,
maar op trek kan hij vrijwel overal opduiken.

Jaarlijks zijn er twee generaties.
De wijfjes leggen de eitjes stuk voor stuk op de waardplanten.
Na ongeveer een week komen ze uit.
De rups wordt tot 35 mm lang en lijkt op die van de oranje luzernevlinder.
Zijn lijf is donker groen en bedekt met zwarte haartjes.
De lijn over de stigma's is witachtig,
maar vaak bijna onzichtbaar door oranje-rode tekentjes.

Als voedselplanten dienen vlinderbloemigen zoals luzerne,
wikke en klaver, waarvan ’s nachts wordt gegeten.
Na 4 – 6 weken verpopt de rups in een gordelpop,
waarop al spoedig de 2e generatie vliegt.
De rupsen die geboren worden uit de 2e generatie
sterven hier door de kou tijdens de overwintering.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen