
De oranje luzernevlinder is in Nederland een vrij algemene trekvlinder
die van mei tot oktober in ons land kan zijn.
Hij kan in goede trekjaren overal gezien worden, maar het zwaartepunt
ligt in de zuidelijke helft van ons land en in Zeeland en de kuststrook.
Het is een zeer snelle vlieger.
De eerste vlinders zijn er in mei/juni,
dan opnieuw begin juli tot begin november.
De soort vliegt in Europa in vier tot zes generaties.
Ten noorden van de Alpen kan hij zich echter niet handhaven door de winterkou.
De vlinder heeft een spanwijdte tot 52 mm.
De bovenkant van de vleugels is oranjegeel.
Bij de mannetjes is de donkere achterrand aan de bovenkant door lichte aders onderbroken.
De vrouwtjes zijn oranje en hebben oranjegele stippen in deze donkere achterrand.
Bij de vorm helice, die alleen bij de vrouwtjes voorkomt,
is de bovenkant lichtgeel tot wit met een brede zwarte achterrand
op de bovenkant van de achtervleugels.
In rust wordt hij nooit met gespreide vleugels aangetroffen.

De eieren worden afzonderlijk op de voedselplanten afgezet.
De rups wordt tot 35 mm lang.
Zijn lijf is groen met een gele lijn over de stigma's die wit is afgezet.
Er zit oranje in deze lijn na elk stigma.
Als voedselplant dienen vlinderbloemigen zoals luzerne, wikke en klaver.
Terug naar: