
De witstipgrasuil is een trekker die in Nederland niet zo gewoon is.
Onder de grote rivieren is hij inheems, daarboven wordt hij soms
jaren achtereen waargenomen en dan weer een tijd niets.
In het noorden van het land is het een zeldzaamheid.
De vlinder vliegt van half april tot half november
met de piek van juli tot september.
Hij houdt zich op langs bosranden, in weilanden en tuinen.
De witte vlek op roodbruine voorvleugel is nagenoeg rond.
De achtervleugels zijn matgrijs en de spanwijdte is 32 – 40 mm.
Hij lijkt veel op de gekraagde grasuil.
De vlinder is nachtactief maar wordt soms ook overdag vliegend aangetroffen.
Jaarlijks zijn er meestal 2 (soms 3) generaties.
De eitjes worden afgezet in een enkele of dubbele rij
in een gevouwen, veelal reeds verdorrend grasblad.
Grassen vormen dan ook de voedselplanten.
De rups, die vooral in het voorjaar is te vinden, overwintert.
De jonge rupsen blijven enige tijd bovenin de plant.
Na de overwintering houden ze overdag rust bij de bodem,
in samengevoegde plantendelen of onder stenen.
In de nacht klimmen ze omhoog om al vretend weer af te zakken.
De rups is goed aangepast aan dode bladeren op de grond.
Terug naar: