
De gekraagde grasuil is in grote delen van ons land een gewone vlinder.
Op de kleigronden is hij echter schaars of helemaal ontbrekend.
De vlinder vliegt half juni tot eind augustus
in meestal één generatie, zelden is er een tweede in oktober.
Hij vertoont veel overeenkomsten met de witstipgrasuil
en heeft een spanwijdte van 35 – 40 mm.
De eitjes worden afgezet in een enkele of dubbele rij
in een gevouwen, veelal reeds verdorrend grasblad.
De rups overwintert.
Hij voedt zich met grassen en is vooral te vinden in april/mei.
De jonge rupsen blijven enige tijd bovenin de plant.
Na de overwintering rusten ze overdag bij de bodem,
in samengevoegde plantendelen of onder stenen.
In de nacht klimmen ze omhoog om al vretend weer af te zakken.
Ze verpoppen zich in een aardholletje.
Terug naar: