
De wilgendwergspanner vliegt vooral in de maanden juni, juli en augustus.
De top van de vliegtijd ligt tussen midden en eind juli.
Jaarlijks is er één generatie.
Gezien de afhankelijkheid van het voorkomen van vooral boswilg,
is de vlinder vooral op vrij vochtige terreinen te vinden.
Met name is daarbij de binnenduinrand opvallend.
Er is ook een band van noord naar zuid aan te wijzen:
Friesland, Overijssel, Gelderland, oostelijk Noord-Brabant en Limburg.
De wilgendwergspanner is ook op de Waddeneilanden aan te treffen.
Hij kan flinke populaties vormen.
De wilgendwergspanner is, met een spanwijdte van 14 – 16 mm,
een van de kleinste Eupithecia's.
Op het eerste gezicht zijn de ronde voorvleugels het meest opvallend.
Er is een weinig opvallende tekening op de voorvleugels,
behalve de kleine, ronde zwarte stigmavlek.
De vlinder doet wat denken aan een kleine grijze dwergspanner,
maar de vleugelspits is bij de wilgendwergspanner veel ronder.
De soort vliegt in de schemering en in de nacht en komt als eenling op licht.
De eiafzetting vindt plaats in spleten van wilgentwijgen en het ei overwintert.
Het rupsje leeft verborgen in wilgenkatjes, met name in die van boswilg.
Ze vallen in het voorjaar met de katjes op de grond.
Terug naar: