
De vlinderwaarnemingen liggen tussen half april en begin september.
Hij vliegt in één, soms twee generaties.
De tweede generatie is onvolledig en zeldzaam.
Ondanks dat de soort zeer gewoon is, wordt de vlinder
niet overal in Nederland in gelijke aantallen aangetroffen.
De soort blijkt vooral te zijn gebonden aan beboste zandgronden.
Ook op de Waddeneilanden is dit een gewone soort.
De grijze dwergspanner en de guldenroededwergspanner
zijn moeilijk uit elkaar te houden.
Er zijn vele details die determinatie mogelijk zouden moeten maken
maar eigenlijk moeten veldvangsten altijd via genitaalonderzoek
worden gedetermineerd.
De grijze dwergspanner is de meest eentonig grijze soort van de Eupithecia's
en wordt mede daardoor vaak als een van de lastigste soorten ervaren.
De naam subfuscata komt van het latijnse woord voor bruinachtig.
De vlinder is schemerings- en nachtactief,
bezoekt bloemen in de avond en komt goed op licht.
Hij heeft een spanwijdte tot 21 mm.
De rupsen zijn uitermate polyfaag; het aantal bekende voedselplanten is legio.
Veelal betreft dit kruidachtige planten maar ook enkele houtige gewassen
zijn in trek, echter geen coniferen.
Ze voeden zich met bloemen en bladeren.
Terug naar: