
De wapendrager is een wel heel opmerkelijke vlinder.
In rust worden de vleugels opgerold en met de zeer harige kop
heeft het diertje dan veel weg van een afgebroken (berken)takje.
Hierdoor valt nauwelijks op dat het een best wel grote soort is
met een spanwijdte tot 6 cm.
Het vrouwtje is hierbij iets groter dan het mannetje.
De voorvleugels zijn tamelijk smal en grijs met zilverkleurige schubben
en een geelbruine vlek in de vleugelpunt.
In rust lijkt hij op een afgebroken berkentakje.
Hij komt 's nachts vaak op licht af.
De soort begint in mei te vliegen en doet dat tot in juli in één generatie.
De vlinder is te vinden in gemengde en vochtige bossen,
op terreinen met struikgewas en heidevelden.
Hij weet zich echter goed aan te passen en we vinden hem dan ook
veel in lanen, parken en tuinen.
Het is een gewone verschijning in het hele land.
Honderden eitjes worden in groepen afgezet op onderkant van bladeren.
De rupsen kunnen (juli en augustus) zeer massaal optreden
en leven vooral de eerste tijd gezellig bij elkaar.
Vreten doen ze zij aan zij met meer dan 20 op één blad;
eerst alleen het bladoppervlak, later het hele blad.
Bomen als wilgen, linden, berken en eiken kunnen dan geheel kaalgevreten worden.
Bij verstoring lanten ze zich naar beneden vallen.
Wanneer ze wat ouder worden leven ze solitair.
de rups wordt tot 75 mm lang en heeft een zwart en geel lijf.
Met deze tekening lijken de rupsen van de wapendrager enigszins
op die van het groot koolwitje, maar ze zijn langer behaard,
hebben een zwarte kop en leven niet op kruisbloemen.
De pop overwintert in de grond, zonder cocon en dicht bij de waardplant.

Terug naar: