Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Veenhooibeestje

Coenonympha tullia
Aurelia’s

Het veenhooibeestje houdt van moerassen, natte heiden,
beekdalen, heidevennen en hoogveengebieden.
De laatste jaren is hij bijzonder zeldzaam geworden
en uit veel gebieden verdwenen.
Nu komt hij nog voor in Drenthe en Friesland en ook zijn er
nog kleine populaties in Gelderland en Overijssel.
Het is een zeer honkvaste soort.
De vlinder vliegt van half mei tot half augustus in één generatie.

De vleugelspanwijdte bedraagt ongeveer 38 mm.
De bovenzijde is bijna eenkleurig oranjebruin maar in de bovenhoek
van de voorvleugel bevindt zich op de bovenkant een kleine oogvlek.
Alleen het veenhooibeestje en het hooibeestje
hebben een dergelijke oogvlek.
Op de onderkant van de achtervleugel zit een rij zwarte,
witgekernde en geelgeringde oogvlekken die bij het hooibeestje ontbreken.
Lokale rassen onderscheiden zich dikwijls
door de al dan niet duidelijke aanwezigheid van deze oogvlekken.

De eitjes worden afzonderlijk op de dorre halmen van de voedselplant afgezet.
De halfwas rups overwintert in de strooisellaag.
De rups groeit in de zomer en de daaropvolgende lente en voorzomer.
Het is een trage groeier die zich tegoed doet aan zwenkgras,
veenpluis, zegge en vooral eenjarig wollegras.
De hangende pop bevindt zich laag in de vegetatie.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen