
De hoofdvliegtijd van het vals witje ligt tussen begin mei en eind juni.
Hierbij is er één generatie.
De vlinder wordt nagenoeg alleen in Limburg waargenomen.
Daar ligt de grens van het areaal.
Lokaal is hij soms talrijk langs bosranden en op zowel droge
als vochtige, grazige (kalk)graslanden.
Deze dagactieve nachtvlinder vliegt bij warm, zonnig weer
en is gemakkelijk te verstoren uit lang gras.
Hij vliegt dan echter niet ver en laat zich al snel weer vallen.
Hij heeft een spanwijdte van 35 – 40 mm.
De vleugels zijn wit met aan de onderzijde zwarte aderen
en een zwarte band langs de vleugelrand.
Op het eerste gezicht lijkt hij sprekend op het klein geaderd witje.

De rups leeft op verschillende kruidachtige planten, zoals weegbree,
hertshooi, klokjesbloem, leeuwentand en tijm.
Hij is te vinden van juli tot mei van het volgende jaar.
Zijn lichaam is geelgrijs van kleur met een donkerbruine rugstreep.
De verpopping vindt plaats aan plantenstengels in een gelig cocon,
dat erg lijkt op dat van de Sint-Jansvlinders.
Terug naar: