
De streepblokspanner komt zeer lokaal voor in twee gebieden:
in de duinen en vooral in Zuid- en Midden-Limburg.
Deze nachtvlinder vliegt vanaf begin mei tot begin oktober
in twee (soms drie) generaties.
Bij het weer gaan zitten na te zijn opgejaagd
gaan de vleugels nog 3 of 4 keer op en neer.
De vlinder bezoekt bloemen, rust met de kop naar beneden
in lage vegetatie en vlucht gauw bij warm weer.
De grondkleur is grijsachtig blauw tot bruinig
met hierop drie donkere dwarslijnen langs de rand.
De spanwijdte bedraagt ongeveer 40 cm.
De rupsen zijn te vinden van augustus tot eind april
waarbij de halfwas rups overwintert.
Ze voeden zich met sintjanskruid.
De eiafzetting vindt plaats op de bladonderkant
dicht onder bloemkroon in rijen van 3 tot 8 stuks.
Volwassen rupsen liggen samengerold op de grond,
halfwas rupsen op de vruchten.
Sinds 1923 is de streepblokspanner een aparte soort ten opzichte
van de sint-janskruidblokspanner, die dan ook moeilijk uit elkaar te houden zijn.
De sint-janskruidblokspanner echter is vaak bleker en kleiner
(grootte is geen betrouwbaar determinatiemiddel).
De vleugeltekening geeft geen houvast.
Het mannetje van de streepblokspanner heeft extreem lange valven
en daardoor een lang en spits achterlijf,
dat in rust tussen de achtervleugels uitsteekt.
Ook zijn vrouwtje heeft een langer achterlijf dan de sint-janskruidblokspanner.
Terug naar: