Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Sint jansvlinder

Zygaena filipendulae
Bloeddrupjes

De sint jansvlinder vliegt van begin juni tot eind augustus in één generatie.
Hij komt in bijna heel Nederland voor in kruidenrijk grasland
waar de rupsen leven van rolklaver en andere klaversoorten.
De populatiedichtheden zijn echter gering.
De vlinder vliegt overdag in de zon op bloemen van vele kruidachtige planten.
De op bloemen foeragerende vlinders laten zich nauwelijks verjagen,
niet door hommels en bijen en niet door bewolkt weer.

Deze vlinder wordt ook wel bloeddrupje genoemd vanwege
de 6 rode vlekken op de blauwigzwarte vleugels.
De grootte en de plaatsing van de rode vlekken op de vleugels varieert,
zo kan de laatste zesde vlek kleiner zijn en versmolten met vlek vijf.
De achtervleugels zijn rood met een zwarte zoom.
De spanwijdte bedraagt 30 – 38 mm.

De eieren zitten in ongeordende groepjes
op de onderkant van het rolklaverblad.
De eirupsen eten eerst de eihuid op.
De volwassen rups is niet zo goed gecamoufleerd
en makkelijk te vinden zodra hij langs de plantenstelen omhoog klimt.
De rups leeft van september tot juni en overwintert soms
twee keer onder plantafval.
Met name in mei en juni worden ze waargenomen.

Het rupsenlijf wordt tot 20 mm lang.
Het is groenachtig geel of geel met twee grote zwarte dorsale vlekken
op beide kanten van ieder segment; een geel vlekje op ieder segment
tussen de dorsale zwarte vlekken en een rij zwarte vlekken langs de flank.
De kop is zwart en hij heeft korte zwarte of witte haartjes.

Bij het verpoppen scheidt de rups via klieren
een zijdeachtige stof af waarmee de cocon wordt gevormd.
Daarna wordt een snel stollende stof afgescheiden
dat tussen het zijdeachtige weefsel blijft hangen.
De gele popspinsels tegen stengels zitten vaak in groepen bij elkaar
en zijn gemakkelijk te vinden.
Ze zijn (evenals die van de vijfvleksintjansvlinder)
vaak opvallend tweekleurig, van onderen witachtig
en van boven van gelig met de scheiding in het midden.
Na enkele weken scheurt de cocon open en heeft de vlinder vrij baan.
Voor het uitkomen wringt de pop zich half naar buiten.
Nog lang na het uitkomen is het cocon met het donkere pophulsel te vinden.

In Nederland vliegen er ook twee ondersoorten: limmenica
in het noorden en westen en nederlandica in het oosten
en zuiden van het land.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen