
In de eiken-, berken- en beukenbossen op de lichte zandgronden
vind je de najaarsspanner met een spanwijdte tot 40 mm.
Hij lijkt veel op de grote wintervlinder, maar heeft een opvallende
goudbruine basiskleur en de vleugelvorm is heel iets anders.
De vlinder vliegt vooral in oktober en november en soms tot in december,
maar verdwijnt meestal snel na de eerste nachtvorst.

De vlinder is veelal vrij zeldzaam maar komt wel in het hele land in bosgebieden voor.
Op de Veluwe en in Zuid-Limburg is het een wat gewonere soort.
Het vrouwtje heeft zeer kleine vleugeltjes, waarmee het niet kan vliegen.
Het grootste gedeelte van haar korte leventje besteedt ze
aan het beklimmen van boomstammen.
Jaarlijks is er één generatie.
De rups leeft op loofbomen, met een voorkeur
voor berk, eik en iep.

Terug naar: