
De grote wintervlinder (spanwijdte tot 45 mm) is een herfst- en wintersoort.
Hij vliegt vooral in de maanden oktober tot en met januari,
maar is soms ook al begin september en zelfs in maart nog te zien.
Het vrouwtje is compleet vleugelloos en ziet er daarom niet uit als een vlinder.
Zij kan dus ook helemaal niet vliegen.
Het is dus ook het mannetje die op lantaarns, lampen en verlichte vensters afkomt.
Het mannetje is zeer variabel in zijn uiterlijk.
Zwartgespikkelde vlinders nagenoeg zonder tekening komen regelmatig voor.
Vaak hebben ze echter ook een duidelijke bandtekening op de vleugels.
De soort komt in de Benelux voor in bosgebieden, vooral op de zandgronden.

Per jaar is er één generatie.
Als het tijd is om de eitjes te leggen klimt het vrouwtje langs de stam omhoog
en legt haar honderden eitjes precies op de knoppen
van vooral eiken en beuken waar ze overwinteren.
De rupsen van deze vlinders zijn zeer schadelijk in de bossen.
Zij kunnen de bomen geheel kaalvreten.
Net als de vlinder kan ook zijn uiterlijk nogal afwijken.
Normaal is hij stro-kleurig met bruine banden,
maar ook bijna egaal groene exemplaren komen wel voor.
Hij verpopt in een los spinsel op de grond.
Deze vlinder wordt ook wel de bruingebandeerde spanner genoemd.

Terug naar: