
Het morgenrood vliegt van eind juni tot eind augustus,
maar is in Nederland alleen bekend als dwaalgast.
Er zijn sinds 1890 slechts zeven waarnemingen uit ons land bekend,
de laatste in 2003, een exemplaar in Echt (L).
De vlinder houdt van bloemrijke graslanden met open karakter in bosachtige omgeving.
Meer is hij te vinden in Zuid-België en Zuid-Eifel.
Het is een vrij honkvaste soort.
De vleugelspanwijdte is ongeveer 30 mm.
De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje
glanzend oranje met een smalle, donkere zoom.
Bij de vrouwtjes is de bovenkant van de vleugels oranje
met een duidelijke, zwarte tekening.
Hiermee lijkt ze veel op de kleine vuurvlinder,
maar de oranje kleur is wat uitgelopen.
De onderkant van de achtervleugel is oranjegrijs
met weinig zwarte stippen en enkele witte vlekjes.
Deze witte vlekjes komen alleen bij deze vuurvlinder voor.

Jaarlijks is er altijd één generatie.
Het afzonderlijk afgezette ei overwintert in de strooisellaag.
De groeiperiode van de rups is de lente en voorzomer.
Hij leeft op zuringsoorten en guldenroede.
De nacht-actieve, groene rups verbergt zich overdag.
Als hij volgroeid is verpopt hij in de lage vegetatie.
Terug naar: