
Met een spanwijdte van maximaal zo'n 44 mm is de maantandvlinder een behoorlijk grote soort.
Het is ook een lastige soort, omdat hij enorm
variabel is in kleur: van lichtgrijs tot donkerbruin.
In vergelijking met de gestreepte tandvlinder heeft hij een donkere,
maanvormige vlek in het relatief lichte middenveld.
Het is een gewoon voorkomende vlinder in de bosachtige streken
van Oost- en Zuid-Nederland.
Wel vliegt hij altijd in de buurt van eiken,
want dat is de enige waardplant van de rups.
De volwassen dieren vliegen in april en mei in één generatie.
De witachtig blauwgroene eieren worden in groepjes van 3 tot 6 stuks
afgezet op de onderzijde van horizontale eikentwijgen.
De rups wordt tot 40 mm lang.
Zijn lijf is groen met gele dorsale lijnen en een
duidelijke helder gele lijn over de stigma's.
De uitzonderlijk grote kop is donkerder groen.
De onvolwassen rups is licht groen met opvallende gele flankstrepen.

Terug naar: