
De hoofdvliegtijd van de kuifvlinder ligt tussen begin mei
en eind juni waarbij er één generatie is.
Hij is lokaal in de duinen van het vaste land en ook in Zuid-Limburg een gewone soort.
Op de zandgronden van het binnenland is hij ongewoon
en verspreid voorkomend.
Overal elders ontbreekt hij helemaal.
Het is geen bossoort maar een soort van open gebieden
met een iets hogere temperatuur.
De vlinder heeft een spanwijdte van 45 – 50 mm.
De voorvleugel is gelig met een donkerbruine
voor- en achterrand zonder grijs er in.
Hij lijkt op de helmkruidvlinder maar deze heeft
een meer grijs beschubde vleugelvoorrand.
De vlinder heeft een behaarde halskraag zet een kapje op de kop.
Hij is door houding, kleur en tekening zeer slecht te vinden.
De rustende vlinder zit overdag tegen een stengel
en is nauwelijks van een afgebroken takje te onderscheiden.

De eiafzetting vindt veelal plaats op bladrozetten van toorts e.d.
De rups (juni, juli en augustus) leeft hoofdzakelijk
op toorts (minder op helmkruid) en is soms gewoon in de duinen.
Hij verstopt zich niet en moet dus makkelijk te vinden zijn.
De rups wordt tot 50 mm lang en heeft een bleek blauwachtig grijs
of witachtig groen lijf meestal met grote zwarte vlekken
en gele plekjes op iedere ring dorsaal en op de flanken.
Af en toe zijn deze vlekken samengevoegd tot een ononderbroken band.
De kop is geel met zwarte plekken.
Jonge rupsen zijn grijsgroen van kleur.
De rupsen komen soms op dezelfde plaatsen voor als die van de helmkruidvlinder,
die wel veel op helmkruid aangetroffen wordt.
Ze verpoppen uiteindelijk in een stevige cocon op de bodem
en de pop overwintert soms meerdere keren.
Terug naar: