
De kommavlinder staat op de rode lijst omschreven als kwetsbaar.
Hij vliegt vanaf half juni tot eind september,
vooral van 25 juli - 20 augustus.
Er is altijd 1 generatie.
Hij is te vinden in droge, schrale graslanden,
duinen en droge heidegebieden.
Bekende populaties bevinden zich nog in de duinen tussen Wijk aan Zee
en Egmond en op de waddeneilanden.
Op de Veluwe is de soort nog vrij gewoon.
In Utrecht, Brabant, Overijssel en Drenthe zijn er nog
geisoleerd liggende populaties.
Het is een honkvaste soort.
De spanwijdte varieert van 25 tot 30 mm.
De voorvleugels zijn roestbruin met contrastrijke tekening.
De wat grotere vlek bij het lichaam ('komma') is kenmerkend voor deze soort.
Het mannetje van de kommavlinder heeft op de bovenkant
van de voorvleugels een dikke streep van geurschubben.
De onderkant van de achtervleugel is grijsgroen
met enkele opvallende witte vlekjes.
Bij het groot dikkopje zijn ook vlekken aanwezig,
maar deze zijn geelbruin en veel minder opvallend.
Ook ontbreekt daar de kommavlek.
De eitjes worden in augustus in graspollen afgezet en overwinteren daar.
De rups wordt tot 30 mm lang.
Het lijf heeft een grijsachtige olijfkleur.
De grote kop is bijna zwart met twee dunne oranjeachtige lijnen.
Als voedsel dienen diverse grassoorten zoals struisgras,
zwenkgras en vooral grassoorten die in solitaire polletjes groeien
zoals buntgras en schapengras.
Er wordt gegeten gedurende de nachtelijke uren.
De jonge rups leeft dicht bij de grond in een onderkomen.
De rups groeit in lente en zomer.
De verpopping vindt plaats in een cocon dicht bij de grond.
Ongeveer tien dagen na de verpopping kruipt de vlinder tevoorschijn.
Terug naar: