
Het klaverblauwtje vliegt vanaf midden mei tot midden september
in één tot soms drie generaties.
Droge, matig schrale graslanden en open bossen vormen het leefgebied.
De laatste Nederlandse populatie leefde tot 1997 bij Maastricht.
In 2001 werden er zowel mannetjes als vrouwtjes
op de Pietersberg gezien en in mei 2002 werden er 12 stuks geteld.
Maar de vestigingen in Limburg blijken telkens slechts tijdelijk te zijn.
Meer wordt hij aangetroffen in de Ardennen en de Eifel.
Het is een nogal honkvaste soort.
De spanwijdte bedraagt ongeveer 30 mm en hiermee
is het klaverblauwtje duidelijk groter dan het dwergblauwtje.
De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje diep violet-blauw
met zwarte randen, bij het vrouwtje bruin.
Het mannetje heeft licht verdonkerde vleugeladers.
De onderkant van de vleugels is donkergrijs tot bruin
met ongeveer even grote, ronde, zwarte witgeringde vlekken
en zwarte streepjes.
Blauwe bestuiving op de onderkant van de vleugels komt weinig voor.
Als waardplanten dienen rode klaver en wondklaver.
Hierop worden de eitjes afzonderlijk op de bloemen afgezet.
De halfwas rups overwintert in de strooisellaag.
De rups groeit in de nazomer en de daarop volgende lente;
de andere generatie(s) in de zomer.
Terug naar: