
De kleine weerschijnvlinder komt in Nederland voor als een zeldzame zwerver.
Er zijn ongeveer 35 waarnemingen bekend, alle in Zuid-Limburg,
en de laatste dateerd van 1994.
In Limburg is ook wel sprake geweest van tijdelijke vestigingen.
Het is een vrij honkvaste soort van open plekken
in gemengde, vochtige, zomergroen loofbossen.
Vaak worden ze aangetroffen in beboste rivierdalen
en bij rivieroevers waar veel populieren en wilgen staan.
De vleugellengte bedraagt 28-35 mm en hiermee is hij beslist geen kleine vlinder.
Op de bovenkant van de voorvleugel staat een opvallende zwarte oogvlek
met een oranje rand bij de achterrand, deze is bij de grote weerschijnvlinder
veel minder duidelijk ontwikkeld.
De mannetjes hebben onder een bepaalde lichtval een paarse glans ('weerschijn'),
die bij de overwegend bruine vrouwtjes ontbreekt.

Hij vliegt in bijna altijd 1 generatie van eind juni tot in augustus.
De vlinders leven doorgaans in de boomkruinen, maar zitten ook graag
bij poelen op de weg en op de mest van andere dieren.
Tevens zuigen ze op rottend dierlijk en plantaardig afval.
Als voedselplant voor de rupsen dienen zwarte populier, wilg en ratelpopulier.
Het vrouwtje legt de eitjes op de bovenkanten van bladeren in halfschaduw en in de zon.
Ze heeft een voorkeur voor minder vitale en vrij kleine bomen.
Vaak zit de rups op de middennerf van het blad,
dat hij min of meer symmetrisch aan beide kanten wegknaagt.
Als halfvolgroeide rups overwintert hij op een zelfgesponnen kussen
in de vork van een tak, bij de knoppen of op bladeren.
In de lente gaat hij weer terug naar de verse knoppen
en bladeren om daar te foerageren.
De rups is groen van kleur en lijkt op de van de grote weerschijnvlinder.
De verpopping vindt plaats hangend aan de onderkant van een blad of tak.
Terug naar: