
De grote weerschijnvlinder, die ook bekend is als nijmeegse kapel,
is een zeldzame standvlinder die lokaal voorkomt.
Oude, vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen vormen zijn leefgebied.
In het westen van ons land is hij nog nooit gezien;
wel in Twente, oostelijk Gelderland, Midden-Brabant en Zuid-Limburg.
De vleugels zijn 31-40 mm lang.
De bovenzijde van de vleugels is zwart met een witte vlekkenband.
Op de achtervleugel zit een rood omringde oogvlek,
die bij de kleine weerschijnvlinder veel duidelijker is.
Wanneer de lichtstralen onder een bepaalde hoek op de vleugels vallen,
zien we een prachtige paarse weerschijn.
Dat komt doordat de kleine schubjes het eropvallende licht dat ze terug kaatsen, breken.
De paarse kleur zit dus niet in de schubben zelf.
Intussen gebeurt dit alleen bij het mannetje.
Het wijfje dat nog groter is, heeft donkerbruine vleugels
met dezelfde witte vlekkentekening.
De onderkant is bij beide seksen gelijk.
Het meest opvallend is dan de naar voren toe breed uitlopende, witte dwarsband.
Vanaf begin juni - eind augustus is de vlinder te bewonderen.

Net zoals de grote ijsvogelvlinder houdt de soort zich
meestal ter hoogte van de boomkruin op.
Vooral de vrouwtjes worden zelden waargenomen.
De mannetjes worden nog wel eens gezien op boswegen waar ze zich
in de zon poetsen of van dierenuitwerpselen en aas zuigen.
Ook nemen zij mineralen op uit vochtige modder.
De eieren worden in augustus afzonderlijk afgezet op de bovenzijde van de bladeren
op de voedingsplant, meestal waterwilg (Salix caprea)
en andere Salixsoorten, en komen na ongeveer twee weken uit.

De rups is overwegend groen, zeer fijn geelachtig wit gespikkeld
en heeft een aantal schuine gele strepen op de flanken.
De kop is groen en bezet met twee lange doorns met rode uiteinden,
die elk een schuine gele streep dragen.
De halfwas rups overwintert, vastgesponnen
in vorken van twijgen of in bastgroeven.
Hij wordt tot 40 mm lang.
De hangende pop is eveneens groen
en is tussen de bladeren goed gecamoufleerd.
Terug naar: