
De kamillevlinder wordt in Nederland in het grootste deel
van het land aangetroffen, maar vrij lokaal en ongeregeld.
Hij komt vooral voor op ruderale terreinen.
De vliegtijd van de vlinder is van april tot half juni
waarbij er in één generatie gevlogen wordt.
De vlinder is door houding, kleur en tekening zeer slecht te vinden.
Hij kan zich goed verplaatsen om nieuwe bestanden te vinden.
De spanwijdte bedraagt 40 – 42 mm.
De smalle vleugels hebben vaak bruine en grijze delen,
de zwarte aders lopen door tot in de franje.
De vlinder lijkt op de grauwe monnik: het verschil zit 'm
in de buitenrand van de achtervleugel.
Deze is bij de kamillevlinder donkerder en bestaat uit drie strepen,
terwijl de grauwe monnik een enkele donkere lijn heeft.

De geelbleke, later donkere eitjes worden apart afgezet
tegen bovenste blaadjes van de voedselplanten.
De rups leeft in juli op echte en reukloze kamille.
Hij wordt tot 45 mm lang en heeft een variabel uiterlijk.
Gewoonlijk is het lijf groenachtig grijs met een krachtig geel of wit
ruitpatroon op de rug; nog meer vlekjes in dezelfde kleur
en ook roodachtig bruine vlakjes boven de brede streep over de stigma's.
De kop is bleek bruin of groen met donkerder strepen.
De pop overwintert, soms zelfs twee keer.
Terug naar: