Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Grauwe monnik

Cucullia umbratica
Uilen

De hoofdvliegtijd van de grauwe monnik ligt tussen half mei en eind augustus,
maar ook daarna zijn ze nog wel aan te treffen.
Er wordt gevlogen in twee generaties, waarvan de eerste het talrijkst is.
Op de Waddeneilanden, in de duinen
en op de zandgronden van het binnenland is het een gewone soort.
Verdere concentratiegebieden bevinden zich in het zuiden van Zuid-Holland
en het grensgebied van Groningen, Friesland en Drenthe.
Op kleigronden is hij schaars of helemaal ontbrekend.

Het is vooral een grijze vlinder met een vage bruine veeg in de buurt van de niervlek.
Bij de sterk gelijkende kamillevlinder is de buitenrand
van de achtervleugel smaller.
De vleugelspanwijdte varieert van 42 – 52 mm.

De vlinder wordt het meest gezien,
van de andere Cuculia's is dat de rups.
Hij bezoekt bloemen in de avond, soms in groepen.
Bij bloembezoek gaan de vleugels niet in de ruststand.
De meeste cuculia's hebben lange zuigsnuit.
De vlinder heeft een behaarde halskraag en zet een kapje op de kop.
Hij is door houding, kleur en tekening zeer slecht te vinden.
De vlinder rust overdag op palen en stammen
maar bij zeer warm weer is hij ook overdag actief.

Als voedsel voor de rups dienen lage planten.
De nachtactieve rups wordt zelden waargenomen.
Wordt er al een rups overdag gevonden
dan is die hoogst waarschijnlijk geparasiteerd.
De pop overwintert soms twee keer.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen