
De hoofdvliegtijd van de hermelijnvlinder ligt tussen begin april en begin augustus.
Hierbij is er slechts één generatie.
Het is in Nederland vooral een soort van de duinen en van het zuidwesten.
In de rest van het land heeft de hermelijnvlinder een verspreid voorkomen
maar is hij toch niet zeldzaam te noemen.
Graag vertoeft hij in wilgen- en populierenbossen in open landschap.
De vlinder is witgrijs en heeft een spanwijdte van 45 – 70 mm
waarbij het vrouwtje iets groter is dan het mannetje
en sterker getekend met grijszwarte booglijntjes.
Net als de eekhoorn strekt de hermelijnvlinder
in rust de voorpoten recht naar voren.
De chocoladebruine eieren worden paarsgewijs afgezet
op de bovenzijde van populieren- of wilgenblad.
De soort is vooral als rups bekend; de volwassen rups
heeft heel bijzonder uiterlijk.
Hij is heldergroen, kan tot 7 cm lang worden en is opvallend getekend
met een zwarte rugtekening of zadel en een donkere kop
met op het eerste borststuksegment een lichtrode ring.
Evenals de rups van de eekhoorn zijn de naschuivers
(achterste zuignappen) niet functioneel meer en bij deze soort
gemodificeerd in 2 lange, zweepachtige structuren.

Bij verstoring trekt de rups haar kop terug in de rode ring, richt zich op en perst
al wuivend 2 rode draden uit de gegaffelde staart aan haar achterlijf naar buiten.
Als deze dreighouding nog niet voldoet kan zij ook nog uit een spleet
onder haar kop een klierstof spuiten die b.v. mieren op afstand houdt.
De rups leeft op (ratel-)populier en wilg en is te zien vanaf juni tot september.
De verpoppende rups wordt donkerviolet van kleur.
De pop overwintert in een met houtspaanders verstevigde
en keiharde cocon op stammen vlak boven de grond.
Terug naar: