
De Rhinoprora's, drie soorten, zijn makkelijk als groep te herkennen
aan de donkere dwarsbanden op de onderzijde van de vleugels,
die bij alle andere dwergspanners ontbreken.
Onderling zijn de soorten vrij eenvoudig uit elkaar te houden,
al zijn sterk verdonkerde exemplaren soms wat lastig te determineren.
De groene dwergspanner is zeer variabel, met kleurschakeringen
van leemgeel en grasgroen tot vrijwel geheel zwart.
Wat bijna altijd zichtbaar blijft, en dus een belangrijk kenmerk is,
is de buitenste dwarslijn, die in het bovenste deel twee stompe tanden heeft.
Deze dwarslijn bezit geen losse zwarte punten,
zoals bij de bosbesdwergspanner.
De groene dwergspanner heeft een spanwijdte tot 21 mm.
Het groen is niet altijd even zichtbaar: dat hangt af van de lichtinval.
Van boven bezien is de vlinder veel groener, dan wanneer je
van staart naar kop vlak over de vlinder kijkt.
Deze eigenschap maakt dat het dier in de natuur nagenoeg onzichtbaar is,
wanneer hij overdag een plekje gevonden heeft om te rusten.
De vlinder vliegt van eind april tot half augustus met nog enkele uitlopers
tot in september en legt haar eitjes op gekweekte en wilde appels, peren en kersen.
Op deze manier wordt de winter doorgebracht.
Jaarlijks is er één generatie.
De rupsen leven van mei tot juni in de bloemknoppen
of in samengesponnen bloemen.
Zelden wordt ook van de bladeren gegeten.

Vermoedelijk is de groene dwergspanner tegenwoordig minder gewoon dan vroeger
door intensieve bespuitingen met insecticiden op de fruitbomen.
Het feit dat ook wilg, meidoorn en sleedoorn op het menu staan,
maakt dat de vlinder zich ook in andere biotopen dan boomgaarden en tuinen kan handhaven.
Op zandgronden kan de hij bijvoorbeeld talrijk zijn.
Hoewel de vlinder een grote verspreiding in Nederland heeft,
komt ze beslist niet overal algemeen voor.
De aantallen kunnen per locatie enorm verschillen.
In het noordoosten van ons land is hij veel schaarser dan b.v. in het midden en westen,
waar het een van de gewoonste dwergspanners kan zijn.
Terug naar: