
De besbesdwergspanner is uiteraard gebonden aan de groeiplaatsen
van bosbes en rijsbes en wordt daarom het meest gevonden
in hoger gelegen vochtige bossen en op hoogvenen,
maar ook wel op wat drogere gronden, zoals heideterreinen.
Het meest verbreid is de hij op en rond de Veluwe
en langs de oostgrens van ons land.
De soort ontbreekt in het westen en uit de noordelijke provincies
zijn slechts enkele vindplaatsen bekend.
De vlinder vliegt in juni en juli waarbij er één generatie is.
Ondanks de vaak vrij vaag getekende voorvleugels zijn er toch
een aantal kenmerken die de bosbesdwergspanner doen opvallen.
Natuurlijk bezit hij ook de de donkere dwarsbanden op de onderzijde
van de vleugels (genuskenmerk), maar op de bovenzijde is de vlinder herkenbaar
aan de stippenrij op de binnenzijde van de laatste dwarsband.
Overigens is de vorm van deze dwarsband vrijwel gelijk
aan die van de groene dwergspanner, maar met minder geprononceerde
stompe tanden in het bovenste gedeelte.
De kleur variëert van lichtgrijs naar bleek geel en grijsgroen.
Sterk contrasterende ondergrondkleuren, zoals het zwart
of donkergroen van de groene dwergspanner, komen bijna niet voor.
Het ei overwintert.
De rupsen leven in mei en begin juni op bosbes en rijsbes.
Ze spinnen de eindscheuten aan elkaar en vreten daarin
van de knoppen, bloemen en jonge blaadjes.
Op de vindplaatsen zijn de rupsen vaak zeer talrijk.
Terug naar: