
De grote vos vliegt vooral in open bossen en parklandschappen.
In Nederland komt hij plaatselijk voor maar is hij altijd schaars.
Waarschijnlijk komen er alleen in Zuid-Limburg nog populaties voor.
Hij is het hele jaar door te zien
en als vlinder overwintert hij in grotten en holle bomen.
De spanwijdte bedraagt 50 – 55 mm.
De grondkleur aan de bovenkant is roodbruin tot geelbruin
en hij heeft een donkere, gemarmerde onderkant.
Hij lijkt erg op de kleine vos, maar is iets groter.
Bij de kleine vos zijn de randen van de vleugels bezet met blauwe vlekken,
deze zijn bij de grote vos slachts zwak ontwikkeld
en ontbreken vaak op de voorvleugels.
Behalve de vlekken aan de voorrand heeft de voorvleugel in het midden
vier zwarte vlekken (de kleine vos heeft er maar drie).

Jaarlijks zijn er twee generaties.
De eieren worden in grote groepen gelegd op vooral iepen en wilgen,
soms ook op ratelpopulier en zoete kers.
De donkergrijze rupsen leven in nesten bij elkaar.
Ze worden tot 45 mm lang en hebben zeer fijne witte stippels
en oranje rug- en flanklijnen.
Daarnaast hebben ze lange roestbruine doorns.
De volwassen rups leeft solitair.
De pop hangt aan de voedselplant.

Terug naar: