
De grote berberisspanner heeft zich met tuinberberis naar het noorden uitgebreid;
deze uitbreiding bleek echter tijdelijk te zijn:
na 1985 is er weer een teruggang in het aantal vlinders.
De vlinder vliegt vanaf half april tot begin juni in één generatie.
Ten opzichte van de grote boomspanner is hij te herkennen
aan het gebroken golflijntje op de onderzijde van de achtervleugel.
De spanwijdte bedraagt 40 – 48 mm.
Hij wordt aangetrokken door licht.
De eitjes worden stuk voor stuk op de voedselplant afgezet.
De rups heeft een grijze rug met witte streepjeslijnen in de lengte,
daarnaast brede, zwarte zijstrepen; daaronder een brede, gele vlekkenband
met daarin op ieder segment een zwart, puntvormig stigma.
De kop is roodbruin.
De rupsen zitten overdag verstopt op de bodem
en kruipen in de nacht omhoog langs de waardplant.
Naast berberis zijn ze ook te vinden op zuurbes.
De rups verpopt in de strooisellaag tussen bladeren in een ijle cocon.
Terug naar: