
De gevorkte silene-uil vliegt van begin mei tot eind augustus.
Hierbij vliegt hij in twee, soms drie generaties.
Het is een vrij gewone vlinder die verspreid over het land voorkomt.
In kleigebieden is hij echter schaars of helemaal ontbrekend.
De spanwijdte loopt op tot 30 mm.
De niervlek en ronde vlek raken aan de vleugelrand en vormen een V,
wat niet het geval is bij de gewone silene-uil.
Verse vlinders hebben een violette glans.
De vlinder vliegt in de avond rond bloemen, vooral silenesoorten.
De variabele silene-uil, de gewone silene-uil
en de gevorkte silene-uil lijken veel op elkaar.
De eitjes worden apart of per paar in een bloem
van de gewone koekoeksbloem, blaassilene of andere silenesoorten afgezet.
De eitjes zijn wit en dus goed te vinden.
De rupsen voeden zich met de zo mogelijk
met de rijpende zaden van voorgenoemde planten.
Ze zijn te vinden in juni en juli en nog eens augustus en september.
De rupsentijd is nogal ingewikkeld i.v.m. verschillende ontwikkelingssnelheden.
De rups wordt tot tot 35 mm lang.
Zijn lijf is bruinachtig groen met een onduidelijke
witte dorsale lijn en een reeks donkerder schuine tekentjes op de rug.
Subdorsaal zijn er kleine witte vlekjes.
De kop is klein en licht bruin van kleur.
Sommige rupsen missen het bruine op de laatste paar segmenten
en jongere rupsen zijn groen met geel tussen de ringen.
De pop bevindt zich in een cocon in de grond en overwintert.
Terug naar: