
De gemarmerde dwergspanner vliegt in april en mei.
De hoofdvliegtijd ligt in de eerste helft van mei.
Er is slechts één generatie.
Aangezien deze nachtvlinders slecht op licht komen en bovendien
erg schuw zijn (bij verontrusting vliegen de vlinders naar de grond),
is deze 'lastige' soort vermoedelijk slechts relatief zeldzaam.
De vlinder zou eigenlijk in alle eikenbossen aanwezig moeten zijn,
maar voor het waarnemen van de gemarmerde dwergspanner is toch veel geluk nodig.
Wel is de soort gemakkelijk te herkennen, hoewel er
enige gelijkenis is met de fruitboomdwergspanner.
De grondkleur van de gemarmerde- is echter wit en die
van fruitboomdwergspanner lichtgrijs.
Bovendien mist de gemarmerde soort de fraaie donkere aderlijnen
en de duidelijke witte dwarslijn als afscheiding van het wortelveld.
De naam irriguata slaat op de waterige tekening van de vlinder.
De vlinders rusten overdag in schorsspleten van eik
of tegen een beukenstam (altijd dwars met de kop naar links).
De vlinder heeft een spanwijdte tot 20 mm.
De rups leeft in juni en juli op de bladeren van eik
en is daarom in eikenbossen te verwachten.
Rupsjes van de gemarmerde dwergspanner, de loofboomdwergspanner
en de fruitboomdwergspanner lijken veel op elkaar;
de gemarmerde is daarvan de enige op eik.
De normale rupskleur is groen met een paar rode puntachtige vlekken.
Hij rust overdag onder tegen een blad, meestal tegen de middennerf.
In het laatste stadium wordt het rupsje bruinachtig.
Ook de verpopping vindt bovenin een eik plaats.
Terug naar: