Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Loofboomdwergspanner

Eupithecia exiguata
Spanners

De vliegtijd van de loofboomdwergspanner valt van eind april tot eind juni.
Het meest is hij te zien rond eind mei/begin juni.
Er is maar één generatie.
De vlinders worden aangetrokken door licht,
maar desondanks zijn er niet veel vindplaatsen bekend.
Ook de voedselplanten geven geen argument voor het
toch niet algemeen voorkomen van deze soort.
Kennelijk stelt deze vlinder hoge eisen aan zijn milieu,
waaraan in Nederland dan waarschijnlijk op de meeste plaatsen niet voldaan wordt.
De loofboomdwergspanner is beperkt tot enkele zandgronden.
Vroeger waren het zuiden van Zuid-Limburg en het IJsseldal bekende vindplaatsen.

Ondanks dat de loofboomdwergspanner tot de 'grijze soorten' behoort,
is ze toch betrekkelijk makkelijk te herkennen.
Het meest opvallende zijn de vijf zwarte pijlvlekjes
aan de buitenrand van de middenband, die naar binnen wijzen.
Deze pijlvlekjes zijn alle ongeveer even lang.
Bovendien maakt de buitenrand van de middenband
voor de vleugelvoorrand een duidelijke 'S'-bocht.
De voorvleugels zijn spits wat door de 'S'-bocht nog eens geaccentueerd wordt.
De zwarte stigmavlek is niet groot maar duidelijk, rond of iets langgerekt.

Exiguata betekent nietig, klein en hij heeft dan ook
een spanwijdte van ongeveer 20 mm.
De vlinder is soms al in de de late namiddag actief,
maar hij vliegt toch voornamelijk 's nachts.
Er worden bloemen bezocht om voedsel op te nemen.

Het rupsje is te vinden tot in september.
Het heeft een rode rugtekening en is iets bleker
dan de rups van de fruitboomdwergspanner.
Hij is polyfaag op diverse loofbomen en struiken (zuurbes,
kamperfoelie en sleedoorn), waarop hij zich voedt met de bladeren.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen