
Het geelsprietdikkopje vliegt in één generatie
van half juni tot eind augustus, vooral 10 - 30 juli.
Het is een algemene standvlinder van droge graslanden, ruigten,
bosranden en weitjes in het bos waarbij hij laag over de grond vliegt.
De soort komt vooral in het oosten van ons land voor
en is nogal schaars in de duinen.
Sylvestris betekent in het bos levend.
De spanwijdte loopt op tot 30 mm.
De vleugels zijn lichtbruin tot geel zonder tekening op de bovenkant.
De onderkant van de sprietknop is geelbruin.
Op de onderkant van de voorvleugel heeft de vleugelpunt
vaak een andere kleur (groenbruin) dan de rest van de vleugel,
terwijl hij bij het zwartsprietdikkopje niet anders gekleurd is.
Het geelsprietdikkopje is meestal iets groter dan het zwartsprietdikkopje.
De geurstreep van de mannetjes loopt niet evenwijdig
aan de aders in de voorvleugels.

De eiafzetting vindt plaats in rijen in de schede van grasbladeren of in bloeiaren.
Het eirupsje overwintert in een individueel coconnetje
in de schede van een dorre grasstengel.
De rups wordt tot 25 mm lang.
Zijn lijf is grasgroen met witgroene lijnen op rug en flanken.
De kop, die wat is afgesnoerd, is geelachtig groen
met een vage, donkerder veeg in het midden.
In het voorjaar en de voorzomer gaat de rups eten en groeien.
Als voedsel dienen (breedbladige) grassoorten
zoals timotheegras, witbol, kweek en pijpenstrootje.
Hij lijkt op de rups van het zwartsprietdikkopje maar deze
heeft duidelijke witte en gele strepen op de kop.
Hij verpopt in een los spinsel op de grond.
Terug naar: