
De bosrankdwergspanner vliegt van 8 april tot 11 augustus.
De piek is van midden mei tot midden juli.
Buiten de bekende vindplaatsen in Zuid-Limburg, met vrij grote populaties,
wordt de soort in Nederland maar zelden gezien.
De verborgen levenswijze en de buiten Zuid-Limburg
schaars voorkomende voedselplant zal vooral debet zijn
aan zijn (relatieve) zeldzaamheid.
Jaarlijks is er één generatie.
De bosrankdwergspanner heeft roodachtig gekleurde segmenten
op het achterlijf en is met een spanwijdte van 12 – 14 mm
vaak nog kleiner dan de wilgendwergspanner.
Drie soorten lijken veel op elkaar: de bosrankdwergspanner,
de hengeldwergspanner en de valeriaandwergspanner.
De bosrankdwergspanner heeft meestal geen stigmavlek,
is de donkerste soort van de drie en bezit duidelijke lichtere dwarsbanden,
heeft geen witte tornusvlek, maar vaak wel een zwakke golflijn.
De hengeldwergspanner is de lichtst gekleurde van de drie,
heeft eveneens geen stigmavlek, maar meestal ook geen golflijn of tornusvlek,
de dwarsbanden zijn zeer vaag en weinig geaccentueerd.
Deze beide laatste soorten hebben vrij brede vleugels met een niet erg spitse vleugelpunt.
Dit in tegenstelling tot de valeriaandwergspanner,
die duidelijk langgerekte vleugels heeft met een scherpere vleugelpunt,
meestal (maar niet altijd) heeft hij een zeer kleine stigmavlek,
vrijwel altijd een witte golflijn en witte tornusvlek,
de dwarsbanden (indien aanwezig) zijn zeer vaag.
Het rupsje is zeer lokaal te vinden, vooral in de maand augustus.
Hij vreet in de bloemknoppen van bosrank en gekweekte clematis
en is te vinden door te zoeken naar zwarte gaatjes in de knoppen.
De rups is witachtig gekleurd met fijne donkere tekening.
Vlak voor de verpopping wordt het rupsje donker met rode elementen.
Ze kruipt dan naar de bodem waar de verpopping plaats vindt.
Terug naar: