
Deze vlinder komt voor op plaatsen waar beuken groeien.
Hij vliegt van half april tot begin september in 2, soms 3 generaties.
Het is een nachtvlinder maar het mannetje vliegt vooral in mei
ook in de middagzon rond beuken zoekend naar een vrouwtje.
In rust zit hij met vlak uitgespreide vleugels.
De vlinder heeft een weinig ontwikkelde zuigsnuit.
Hij bezoekt geen bloemen maar neemt wel vloeistoffen op (honingdauw e.d.).
In tegenstelling tot de gele eenstaart heeft hij geen twee stippen
op voor- en achtervleugel, hoogstens een vaag vlekje op de voorvleugel.
De beuk dient ook als voedselplant voor de rups,
die te zien is in juni/juli en in september.
Soms zit de volwassen rups na een herfststorm op een beukenstam.
De pop overwintert in een samengesponnen blad.
De rups wordt tot 20 mm lang.
Hij heeft een okerkleurig lijf met een donker gerande,
bleke ruit op de rug boven de buikpoten.
Op het derde segment bevindt zich een bult die kleiner is dan die van gele eenstaart.
De naschuivers ontbreken, daarvoor in de plaats
heeft de rups een puntig achterlijf.

Terug naar: