
De gele eenstaart herken je direct als een eenstaartje aan de 'haakjes' aan de vleugel.
Hij is met een spanwijdte tot 35 mm net iets kleiner
dan de berkeneenstaart en veel minder algemeen.
De twee zwarte stippen op de voorvleugel zijn een goed kenmerk.
Hij wordt vooral gevonden nabij de voedselplant van de rupsen: eiken op zandgrond.
De soort vliegt van half april tot half oktober met een dip in juli.
Hij vliegt vaak overdag, maar hoofdzakelijk
ter hoogte van de boomkruinen en wordt daarom niet zo snel opgemerkt.
De vlinder rust met vlak uitgespreide vleugels.
Jaarlijks zijn er drie generaties.
De rupsen ontwikkelen zich in juni/juli en in september.
Behalve op eik worden de ook gevonden op berk en els.
Ze zijn tot 25 mm lang en hebben een okerkleurig lijf
met een blekere ruit op de rug boven de buikpoten.
Op segment 3 staan 2 puntbultjes.
De naschuivers ontbreken, daarvoor in de plaats
heeft de rups een puntig achterlijf.
De pop overwintert in samengesponnen blad.

Terug naar: