
De berkenwintervlinder heeft een spanwijdte tot 40 mm
en is daarmee wat groter dan de kleine wintervlinder op wie hij veel lijkt.
Hij is echter veel bleker van kleur, vaak minder getekend
en hij heeft een zijde-achtige glans over zich.
Ook van deze soort kan het vrouwtje niet vliegen.
Haar vleugeltjes zijn echter wel ontwikkeld, maar erg klein.
Op de vleugelstompjes van het vrouwtje is een donkere middenband te onderscheiden.
Net als bij de kleine wintervlinder hangt begin en einde
van de vliegtijd van weersomstandigheden af.
Mannetjes beginnen in de schemering te vliegen, veelal laag
over de vegetatie of langs boomstammen op en neer.
Ze komen op licht af.
De vlinder kan geen voedsel opnemen.

In Nederland is het een erg lokale soort die eigenlijk alleen met regelmaat
wordt aangetroffen in Twente, de Achterhoek, de Veluwe en Zuid-Limburg.
Soms kunnen ze in flinke aantallen optreden; de vrouwtjes zijn soms
massaal met zaklamp te vinden op pijpenstrootje.
Jaarlijks is er één genertie die vliegt vanaf eind oktober tot half december.
De kleine wintervlinder vliegt de gehele winter door.
Al is zijn naam berkenwintervlinder genoemd,
de rupsen komen ook voor op appel, pruim en kers.
Zij leven tussen samengesponnen bladeren.
Terug naar: