Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Kleine wintervlinder

Operophtera brumata
Spanners

De kleine wintervlinder vliegt vooral in de maanden oktober
tot en met maart met een piek in november / december.
Er is jaarlijks één generatie.
De vlinder heeft een spanwijdte tot 33 mm en het is een
nogal variabele soort, zowel qua kleur als qua tekening op de vleugels.
Deze zijn voornamelijk lichtbruin met onduidelijke, donkere zigzagdwarsbanden.

De mannetjes kun je regelmatig zien met de vleugels omhoog samengeklapt.
Ze zien er dan een beetje dagvlinderachtig uit
en lijken niet erg op de spanners die ze wel zijn.
Het donkergrijze vrouwtje kan niet vliegen, omdat zij
slechts twee zeer kleine stompjes heeft in plaats van volontwikkelde vleugels.
De vlinder is niet in staat tot het opnemen van voedsel.
Hij is vooral te zien na het invallen van de duisternis
maar bij vorst wordt er niet gevlogen.

De rupsen zijn erg vraatzuchtig en treden massaal op in het voorjaar
waar juist ontluikend blad wordt opgegeten
maar ook bloemen en vruchten gaan er wel in.
Allerlei loof- en fruitbomen kunnen worden aangetast
en de soort is erg berucht in de bosbouw.
Het vrouwtje kruipt voor de eiafzetting langs de stam omhoog
en legt haar eitjes vooral bovenin de bomen, precies op de knoppen.
Die gaan dus naar de knoppen wanneer de rupsen het op een schranzen zetten.

Als de omstandigheden ongunstig zijn spinnen jonge rupsen
een draad en laten zich dan door de wind verplaatsen.
Daardoor kunnen geïsoleerde bomen of verse aanplant snel worden bereikt.
De rups is lichtgroen met een donker groene rupstreep
en lichte, gelige zijrugstrepen.
De volwassen rups laat zich ook met een spindraad naar de bodem zakken.
Daar verpoppen ze zich in een gesponnen cocon in de grond.
Het is een gewone soort in geheel Europa.


 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen