
Wanneer mogen vogels bijgevoerd worden?
Dit mag in feite gedurende het hele jaar.
Met het bijvoeren van vogels het hele jaar door vergroot u
de vitaliteit van de vogels, waardoor er meer vogels de winter overleven,
er meer vogels gaan broeden en er meer jonge vogels het nest verlaten.
Vele jaren lang is men er vanuit gegaan dat het bijvoeren van vogels
in de lente en zomer niet goed was voor vogels en dat jonge vogels
zelfs konden stikken in pinda’s, die zij door hun ouders gevoerd kregen.
Recente onderzoeken hebben echter aangetoond dat het bijvoeren van vogels
in het voorjaar en zomer in tuinen meer voordelen heeft dan nadelen.
Voor zaadetende vogels, zoals huismussen, vinken, groenlingen
en putters geldt dat de meeste individuen niet in de winter
maar juist in het voorjaar dood gaan, door een te kort aan zaden.
Deze zaden die in de herfst zijn geproduceerd
zijn in de loop van de winter opgegeten of verloren gegaan.
Voor het broedseizoen kunnen deze vogels te weinig voedsel vinden
om genoeg aan te sterken om met succes één of meer broedsels groot te brengen.
Insectenetende vogels krijgen het ook steeds moeilijker
om een legsel uit te broeden en hun jongen groot te brengen.
Door veranderingen in het klimaat ligt de rupsenpiek eerder
in het seizoen, waardoor o.a. mezen te laat klaar zijn
met broeden om hun jongen nog voldoende rupsen te kunnen voeren.
Rupsen vormen het hoofdvoedsel van vele insectenetende vogels.
Volwassen vogels zullen altijd proberen
hun jongen insecten of spinnen te geven.
Wanneer er een voedselgebrek is worden alle insecten
aan de jongen gevoerd en gaan de ouders over op ander voedsel.
Pas als ook de jongen niet genoeg insecten meer kunnen krijgen,
voeren de ouders hun jongen met zaden en ander voer dat wij aanbieden.
Wordt er niet bijgevoerd dan is de kans erg klein dat de jongen uitvliegen.
Door bij te voeren wordt deze kans vergroot.
Het risico dat jonge vogels pinda’s gevoerd krijgen is dus erg klein.
Krijgen ze toch pinda’s gevoerd dan is dit meestal
als ze al 4 of 5 dagen oud zijn.
Het spijsverteringsstelsel is dan al voldoende ontwikkeld
om kleine stukjes pinda’s te verteren.

Vogels die bijgevoerd worden blijken hier niet afhankelijk van te zijn.
Vogels vertrouwen namelijk niet op één voedselbron.
Gebleken is dat vogels die bijgevoerd worden
gemiddeld maar zo’n 20 % van dit voedsel op hun menu hebben.
Vogels houden van een gevarieerd menu en vullen het door mensen
aangeboden voedsel aan met eten dat ze zelf vinden in de natuur.
Door vogels bij te voeren worden ze niet zodanig verwend dat ze zich
na verloop van tijd niet meer alleen zouden kunnen redden in de natuur.
Vogels kunt u dus het hele jaar door voeren.
Maar vooral wanneer er sneeuw ligt of als het vriest
hebben ze onze hulp hard nodig.
In een strenge winter is het voor vogels moeilijk
om aan voedsel te komen, terwijl ze juist extra veel energie nodig hebben
om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.
Insecten kruipen weg, bessen zijn vaak al op en sneeuw en ijs
maken het de zaadeters ook moeilijk om bij hun voedsel te komen.
Van bijvoeren in de tuin wordt dan ook graag gebruik gemaakt.
Mezen passen zelfs hun darmstelsel hierop aan.
Water
Plaats geen schoteltje met lauw water in de tuin.
Het zal misschien langer duren eer het bevriest maar vogels hebben de neiging
er in te gaan badderen en dan zullen hun veren bevriezen.
Om dit tegen te gaan is het verstandig gaas over het water te plaatsen.
Een andere mogelijkheid is om suiker op te lossen tegen bevriezing
of in plaats van water ijsgruis aan te bieden.
De vogels smelten deze splinters in hun snavel.
Op deze manier krijgen ze toch water binnen.
Wanneer er sneeuw ligt is water geven niet noodzakelijk,
omdat de vogels via de sneeuw aan voldoende vocht kunnen komen.

Wie eet wat?
Merel, zanglijster, koperwiek, kramsvogel en spreeuw
Voedsel: brood, gewelde krenten en rozijnen, kaasresten (zonder korst),
fruit, schillen en klokhuizen, alle soorten bessen,
etensresten (rijst en aardappelen) zonder zout.
Voerplaats: Een sneeuwvrije plaats op de grond
met beschutting vlakbij.
Mezen
Voedsel: vetbollen, ongebrande en ongezouten pinda’s,
kokosnoot, vogelzaad en zonnepitten.
Voerplaats: voedertafel of voederhuisje
of opgehangen in een boom.
Winterkoning, heggemus en roodborst
Voedsel: universeelvoer, meelwormen, broodkruimel,
maden en larven, ongekookte havermout.
Voerplaats: een zeer beschutte en sneeuwvrije plaats.
Mussen, vink en groenling
Voedsel: bruin brood, onkruid-zaden, gemengd strooizaad,
zonnepitten en etensresten zonder zout.
Voederplaats: op de grond, eventueel voedertafel.
Specht, boomklever en boomkruiper
Voedsel: spek-zwoerd, ongebrande en ongezouten pinda’s,
vetbollen, zonnepitten, kaas zonder korst
Voerplaats: vastgemaakt aan boomstam op een rustige plaats.
Tips voor het voeren
Voer niet teveel tegelijk en liefst ’s ochtends (na een lange, koude nacht
hebben vogels behoefte aan een stevig ontbijt)
en tegen het einde van de middag (zo kunnen ze de nacht doorkomen).
Overdag voeren kan muizen en ratten aantrekken.
Geef geen voedsel waarin zout is verwerkt.
In de kaas en het brood dat u voert zit al meer dan genoeg zout.
Voer geen margarine; dit werkt als laxeermiddel.
Voedsel dat gemakkelijk bevriest, zoals appel,
niet in kleine stukjes voeren, maar als geheel.
Voer geen brood met boter of ander voer met olie
aan eenden in een wak.
Dat geeft namelijk 'olieslachtoffers'.
De olie tast de waterdichtheid van het verenpak aan.
De vogels worden ziek en gaan dood.
Maak een sneeuwvrije plek op de grond.
Veel vogelsoorten zoeken namelijk hun voedsel van nature op de grond.
Liefst wel in de buurt van struiken of een haag, zodat ze snel
een veilige plek kunnen vinden.

Vogelzang
Meer weten:
Voortplanting
Eieren en broeden
Braakballen
Nestkasten