Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!
Slavernij in het Romeinse Rijk

---Controle en wetgeving: humanitas of eigenbelang?---

  • 1. De slaaf
  • 2. Vrijlating van slaven
  • 3. De slavenfamilie
  • 4. Onderdrukking en bescherming
  • 5. Filosofen en Christenen
  • 6. Conclusie
  • Literatuur

    Inleiding:

    Slaven. Al sinds het begin van de geschreven geschiedenis zijn er bewijzen voor het bestaan van slaven in de maatschappij. Van ver voor de bloei van het Romeinse Rijk tot in de 19e eeuw werd slavernij niet als iets ongebruikelijks gezien. Pas in 1888 was BraziliŽ het laatste westerse land dat de slavernij afschafte. En al heeft de westerse wereld de slavernij afgeschaft, elders op de wereld is het nog altijd niet volledig uitgebannen. Er zijn nog altijd volwassenen en kinderen die gedwongen moeten werken.

    Ook in het Romeinse Rijk waren er slaven in overvloed. Door een gebrek aan bronnen is het echter moeilijk om vast te stellen hoeveel slaven er waren. Volgens sommige schattingen was maar liefst 35% van de bevolking op het Italiaanse schiereiland ten tijde van Augustus een slaaf. Elders in het Rijk was het aandeel van de slaven aanzienlijk minder. Of er in werkelijkheid nou wat meer of minder slaven waren is niet zo belangrijk, feit is wel dat ze een belangrijk deel van de totale bevolking vormden. Het is daarom interessant om te kijken hoe deze grote groep behandeld werd. Hoe werden de slaven onder controle gehouden en is er in de loop van de eeuwen een verbetering in hun situatie te bespeuren? Was er sprake van enige sociale wetgeving voor slaven en wat was de invloed van de filosofen op de behandeling van slaven? Over deze vragen zal ik me hier gaan buigen.

    Voor we ons echter op deze vragen gaan richten is het noodzakelijk om eerst een algemeen beeld van slaven te schetsen. Het zal hierbij vooral gaan over de afkomst van slaven, hun status en het beeld van de slaaf bij de eigenaren. Vervolgens zal het gaan over het onder controle houden van de slaven. Verschillende manieren zullen besproken worden. Tenslotte zal de invloed van de filosofen, met name de StoÔcijnen, en het Christendom op de houding ten opzichte van slaven ter sprake komen.

    Bij het behandelen van dit onderwerp treden echter een aantal beperkingen op. Ten eerste is er de literatuur. Er ontbreekt namelijk zoiets als door slaven geschreven literatuur. De bronnen die we wel hebben zijn voornamelijk door leden van de Romeinse elite geschreven. Hoe slaven zelf de slavernij ervoeren is dus niet te achterhalen, wel hoe hun eigenaren over hun slaven dachten. Een tweede beperking is het gebied waar de literatuur over handelt. De meeste literatuur is afkomstig uit Rome, Klein-AziŽ en Egypte. Daarom is het de vraag of bepaalde gewoonten met betrekking tot slaven overal golden of alleen lokaal gebezigd werden. Egypte neemt in de Romeinse geschiedenis een nogal uitzonderlijke positie in en wordt daarom grotendeels buiten beschouwing gelaten. Aangezien het grootste deel van de slaven zich in ItaliŽ bevond en daar ook de voor ons belangrijkste schrijvers leefden zal het vooral over dat deel van het Romeinse Rijk handelen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de daar geldende gewoontes en regels niet toepasbaar zijn op de rest van het Rijk.

    1: De slaaf

    Tegenwoordig is het maar moeilijk voor te stellen dat je echt de eigenaar bent van andere personen. Voor Romeinen was dit echter de normaalste zaak van de wereld. De Romeinen wisten niet anders of slavernij had altijd bestaan in hun samenleving. In de Twaalf Tafelen, het eerste wetboek van de Romeinen, afkomstig uit het midden van de vijfde eeuw voor Christus, wordt al uitgebreid melding gemaakt van het bestaan van slaven in Rome. Waar de Romeinen ook kwamen tijdens hun veroveringen, overal rond de Middellandse Zee kwamen ze lokale vormen van slavernij tegen. Net als bij andere volken was het voor de Romeinen zeer gebruikelijk om krijgsgevangenen te verkopen als slaven. Dit was dan ook gedurende de Republiek de voornaamste bron van nieuwe slaven. Onder het Principaat was het gedaan met het veroveren van grote gebieden, zo ook met de grote stroom slaven die het Rijk binnen kwamen. Vanaf toen bestond de voornaamste aanvulling op de slavenpopulatie uit natuurlijke aanwas. Hierbij was de status van de moeder belangrijk. Was zij een slaaf, dan werd het kind automatisch ook een slaaf.

    Volgens het Romeinse recht bestonden er twee soorten mensen: zij die vrij zijn en zij die slaaf zijn. Slavernij werd door Florentinus gedefinieerd als: "Een institutie van de wet der naties (ius gentium), volgens welke, in tegenstelling tot de natuur, een persoon ondergeschikt is aan de heerschappij van een ander." De slaven zelf waren ook weer onderverdeeld in twee categorieŽn: slaven die tot een huishouden behoorden in de stad, de familia urbana, en de slaven die tot een huishouden op het platteland behoorden, de familia rustica. Het was echter niet de plek waar ze werkten die bepaalde tot welke categorie de slaven behoorden, maar het werk. Dus een slaaf die de boekhouding op het platteland bijhield, behoorde tot de urbani. De meerderheid van de slaven behoorde echter tot de rustici. De slaven op het platteland werden ook automatisch als inferieur gezien door hun eigenaar ten opzichte van de slaven in de stad. Maar zelfs binnen een familia was er sprake van een verschil in status. De baan die je kreeg binnen de familia bepaalde je status. Deze verschillen hadden ook een reden, zo werd voorkomen dat er een eenheid onder de slaven ontstond, wat het gevaar van een opstand met zich mee zou kunnen brengen.

    Het mag bekend zijn dat slaven totaal ondergeschikt waren aan hun eigenaar. De eigenaar van de slaaf kon als het ware beslissen over leven en dood. De slaaf had ook alle familieverbanden moeten verbreken, was zijn sociale identiteit kwijt en mocht geen huwelijk sluiten. Hun hele leven stond in het teken van werken. Omdat ze vanaf hun jeugd werkten konden slaven wel enige progressie maken. Zo konden ze na verloop van tijd in aanmerking komen voor hogere posities binnen de huishouding. De slaven in de huishouding van Romeinen konden soms belangrijke posities bekleden. Dit in tegenstelling tot de slaven die op het platteland werkten. Daar werkten ze in grote afzondering met minimale bestaansmiddelen. Ook hadden ze weinig uitzicht op verbetering.

    Over het algemeen hadden slaveneigenaren een zeer negatief beeld van hun slaven. Er bestond het beeld van de criminele slaaf. De slaaf zou van nature slecht zijn en proberen zijn eigenaar te dwarsbomen. Dit valt goed te illustreren met een fragment van de schrijver Lucius Junius Moderatus Columella (1e eeuw na Christus) uit de Res Rusticae:

    1.7.6-7. Ze laten ossen vrij om ze te verhuren en ze zorgen er voor dat deze en andere dieren niet goed gevoed worden; ze ploegen de grond niet zorgvuldig, en ze geven meer zaaigoed op dan ze daadwerkelijk zaaien; wat ze aan de aarde hebben toevertrouwd wordt niet zo verzorgd dat het goed zal groeien; en als ze het naar de dorsvloer gebracht hebben, verminderen ze tijdens het dorsen de hoeveelheid, ofwel door bedrog ofwel door onverschilligheid. Ze stelen het ook en ze bewaken het niet tegen diefstal door anderen, zelfs als ze het opslaan geven ze geen eerlijke verklaring.

    Er zijn vele gevallen bekend van slaven die hun meesters zoveel mogelijk tegenwerkten. Van het inbreken in opslagplaatsen tot het omhakken van bomen zonder toestemming. Van liegen en bedriegen tot het moedwillig vertragen van de productie. De bronnen over deze misdrijven zijn echter wel bevooroordeeld, aangezien ze afkomstig zijn van de eigenaren. Vanuit het oogpunt van de slaaf waren het vooral pesterijen om het leven in onderdrukking enigszins te verlichten.

    Er bestond zelfs angst voor deze 'criminele' slaaf. En zeker niet ontrecht, aangezien er een aantal gevallen bekend zijn waarin een slaaf zijn meester vermoordde. Het bekendste geval is de moord op senator Pedanius Secundus in 61 na Christus door een van zijn slaven, waarschijnlijk gepleegd vanwege een ruzie over zijn vrijlating. Als reactie hierop werden alle slaven uit zijn huishouden ter dood veroordeeld. Sommige eigenaren probeerden met zware onderdrukking en straffen hun slaven in het gareel te houden. Anderen vonden dat de bedreiging voor de eigenaar alleen maar groter werd, zij waren van mening dat slaven goed behandeld moesten worden en stelden de slaven beloningen in het vooruitzicht. Een stuk van Seneca, die goede behandeling van slaven propageerde, probeert het vijandelijke gedrag van de slaven te verklaren (Epistulae 47.2-5):

    Je hebt evenveel vijanden als je slaven hebt. Ze zijn geen vijanden wanneer we ze kopen: we maken hen vijanden. Ik zal ander wreed en inhumaan gedrag ten opzichte van hen overslaan; we mishandelen hen, alsof het geen mensen zijn, maar lastdieren.

    De meeste slaven hadden een echter zwaar leven en moesten voortdurend voor het ergste vrezen. Er waren dus verschillende manieren om slaven onder controle te houden, die we in de volgende hoofdstukken stuk voor stuk zullen bespreken.

    2: Vrijlating van slaven

    Een manier om slaven enigszins onder controle te houden was door ze goede vooruitzichten te bieden. De gedachte daarachter was dat ze zich wel kalm zouden houden als ze bijvoorbeeld de kans kregen om vrijgelaten te worden. Enige ongehoorzaamheid zou immers alle hoop doen vervliegen.

    Slavernij is onder de Romeinen nooit een permanente status geweest. Al in de eerder genoemde Twaalf Tafelen wordt het vrijlaten van slaven vermeld. Er waren twee vormen van vrijlating: informeel en formeel. Bij een informele vrijlating had de slaaf geen enkele rechten, hij was slechts vrij bij de gratie van zijn eigenaar. Later kregen ook deze vrijgelatenen een kans om het burgerschap te verwerven als ze voldeden aan bepaalde criteria. Formele vrijlating kon aanvankelijk, tijdens de Republiek, gebeuren op drie manieren, welke al bekend waren ten tijde van de Twaalf Tafelen. Ten eerste was er vrijlating tijdens een census, een volkstelling. Tijdens deze volkstelling werd de slaaf dan door zijn eigenaar op de lijst van Romeinse burgers bijgeschreven. Een groot nadeel was dat deze census slechts om de vijf jaar gehouden werd. Aangezien de census na 166 voor Christus werd afgeschaft, verdween ook deze mogelijkheid om slaven vrij te laten. Een tweede methode was vrijlating per vindicta. De eigenaar die wenste zijn slaaf in vrijheid te stellen liet een bekende hem aanklagen omdat hij een slaaf in bezit had welke eigenlijk een vrije man/vrouw was. De eigenaar bracht daar niets tegen in en de magistraat verklaarde de slaaf vrij. Hij verkreeg daarop ook het Romeinse burgerrecht. Vrijlating per vindicta, wat letterlijk claim betekent, was niks anders dan een juridisch trucje. Als derde en laatste methode was er nog de vrijlating per testament. Als enige methode kon vrijlating per testament onder voorwaarden gebeuren. Tot de tijd dat hij aan de voorwaarden voldaan had was hij een statuliber. Dat wil zeggen dat hij al enige vrijheid had, maar technisch gezien bleef hij een slaaf.

    In de late Republiek werd het vrijlaten van slaven echter misbruikt. In het tumult van de burgeroorlogen werden slaven vaak om politieke redenen vrijgelaten. Vele Romeinen die politieke macht ambieerden beloofden slaven vrijheid als zij hen zouden steunen in hun strijd om de macht. Slaven werden gebruikt om legers te vormen en dienden als informanten. Hoewel velen zich niet lieten verleiden, er werden immers geen garanties gegeven, zijn er toch bewijzen dat het hier om duizenden slaven gaat die deze mogelijkheid gebruikten om hun vrijheid te herwinnen. Het resultaat was dat de relatie tussen de eigenaar en zijn slaven ernstig verstoord werd; de stabiele basis onder de slavernij werd weggeslagen. Tijdens de eerste keizer, Augustus, keerde de rust weer terug in het Romeinse Rijk. Als reactie op het misbruiken van de mogelijkheden om slaven vrij te laten werden er vanaf Augustus een aantal wetten ingevoerd die het vrijlaten van slaven moest gaan reguleren.

    De eerste wet die ingevoerd werd was de lex Fufia Caninia in 2 voor Christus. Deze wet wordt door Gaius (tweede helft tweede eeuw na Christus) beschreven:

    G.1.42. Door de lex Fufia Caninia kwam er een limiet te staan op het aantal vrij te laten slaven per testament. 43. Een meester die meer dan twee en minder dan tien slaven heeft is het toegestaan om de helft vrij te laten; hij die er meer dan tien en minder dan dertig heeft is het toegestaan om tot een derde van dat aantal vrij te latenÖ tenslotte, hij die meer dan honderd en niet meer dan vijfhonderd slaven mag niet meer dan een vijfde vrijlaten; ook mag een persoon met meer dan vijfhonderd slaven er niet meer vrijlaten, de wet verbiedt namelijk een ieder om meer dan honderd slaven vrij te laten.

    De wet houdt dus een restrictie in van het aantal vrij te laten slaven per testament. Daar kwam nog bij dat vanaf nu elke slaaf die vrijgelaten mocht worden expliciet met zijn of haar naam in het testament genoemd moest worden. Interessant is ook te zien dat het niet bijzonders was dat een Romein meer dan vijfhonderd slaven kon bezitten.

    Een tweede wet werd uitgevaardigd door Augustus in 4 na Christus, de lex Aelia Sentia. Deze hield in dat een slaaf minimaal dertig jaar oud moest zijn voor hij vrijgelaten mocht worden. Ook voor de eigenaar werd een minimum leeftijd ingesteld, namelijk twintig jaar. Alleen als er een geldige reden was, bijvoorbeeld als het een familielid betrof, en dit ook werd goedgekeurd door een raad, dan mocht er afgeweken worden van deze wet. Hield een eigenaar zich niet aan deze voorwaarden, dan werd de vrijgelaten slaaf geen Romeins burger. De lex Aelia Sentia moet volgens Bradley gezien worden als een beloning voor bewezen diensten voor een slaaf. Slaven die ooit slecht gedrag hadden vertoond en daarvoor gestraft waren maakten geen kans op het Romeinse burgerschap. De wet moest dus goed gedrag stimuleren.

    Een derde belangrijke wet met betrekking tot de vrijlating van slaven was de lex Junia. De precieze datering is onbekend, maar ook deze wet is waarschijnlijk door Augustus uitgevaardigd. In het begin van dit hoofdstuk kwamen al informeel vrijgelaten slaven ter sprake. De vrijlating zelf werd door de eigenaar bevestigd door middel van een brief of door de slaaf vrij te laten onder de ogen van een aantal getuigen. De vrijheid van de slaaf werd voor de uitvaardiging van de lex Junia bewaakt door de praetor. Met de komst van de wet werden de slaven echter echt vrij. Ze kregen de status van Juniaanse Latijnen. Dat hield in dat ze geen Romeinse burgers werden, maar wel een vrije status. Deze categorie ex-slaven kwam onder bepaalde voorwaarden echter wel in aanmerking voor dat burgerschap, bijvoorbeeld als ze een zoon kregen. Als deze ťťn jaar oud werd, werd er burgerrecht verleend aan de ouders en het kind.

    In theorie had de slaaf dus goede hoop op vrijlating. Zou je denken. Er kleven echter nog wat haken en ogen aan het vrijlaten van slaven. Zo moest een slaaf die per testament was vrijgelaten eerst aan de voorwaarden voldoen, mits aanwezig natuurlijk, die daarin waren opgesteld. Kon hij dat niet, dan werd hij niet vrijgelaten. Verder werd de kans op vrijlating beperkt door de lex Aelia Sentia, waarbij slaven pas na hun dertigste vrijgelaten konden worden. De levensverwachting van een slaaf was bij de geboorte slecht twintig jaar. Als een slaaf de moeilijke eerste jaren van zijn leven overleefd had was de kans al een stuk groter om de dertig te bereiken. Maar de belangrijkste factor waar vrijlating van af hing bleef toch wel de eigenaar. Want de slaaf had geen rechten, dus ook geen garantie op vrijlating. Er zijn slechts enkele gevallen bekend waarbij slaven uit humanitaire redenen vrijgelaten werden. Meestal was de reden economisch, de eigenaar hoefde niet meer voor de oudere slaaf te zorgen, of vanwege beloftes die hij had gedaan aan de slaaf opdat deze zich goed zou gedragen.

    Dan waren er ook nog praktische problemen. Zo moesten zowel de slaaf als zijn meester verschijnen voor de lokale magistraat. Zeker in landelijke gebieden waren de magistraten schaars gezaaid, en als ze er wel waren, hadden ze niet altijd tijd of zin om de vrijlating van slaven te behandelen. Vaak moest men dus een heel stuk reizen om de magistraat te bereiken; het was daarom maar de vraag of de eigenaar daar het geld en de tijd voor had. In de stad hadden de slaven sowieso een grotere kans om vrijgelaten te worden omdat ze dichter bij hun meester stonden en vaker ook beter ontwikkeld waren dan de slaven in de mijnen of op het platteland. Ook na de vrijlating was de ex-slaaf nog niet van zijn verplichtingen af. Voor een bepaalde tijd, vastgelegd bij zijn vrijlating, moest hij nog werk of diensten verrichten voor zijn voormalige eigenaar. Deze laatste werd ook de patronus van de ex-slaaf. Dit gebruik had voordelen voor beide partijen: de slaaf steeg aanzienlijk in status, de eigenaar verloor geen waardevolle werknemer.

    3: De slavenfamilie

    In het eerste hoofdstuk werd gezegd dat slaven geen huwelijk mochten sluiten, hoe kan het dan toch dat er een hoofdstuk gewijd wordt aan de slavenfamilie? In vele bronnen vinden we toch bewijzen voor het bestaan van onofficiŽle huwelijken tussen slaven. Onofficieel, want volgens de wetten bleef het verboden voor slaven om te huwen. Omdat er zoveel verschillende bronnen zijn die het bestaan bevestigen, is er geen twijfel dat een huwelijk tussen slaven als iets heel normaals beschouwd werd.

    Een huwelijk tussen slaven had de kenmerken van een normaal huwelijk. Het was gebaseerd op liefde en respect. Dit is aan te tonen door de vele grafinscripties van slaven. Daarbij zien we ook dat de alleen de dood een scheiding veroorzaakte. Het huwelijk werd dus gezien als een permanente unie tot aan de dood. En net als bij een normaal huwelijk werden er vaak kinderen geboren. Maar toch was zo'n huwelijk verre van vanzelfsprekend. Omdat het verboden was door de wet moet het gezien worden als een concessie van de eigenaar ten opzichte van zijn slaven. En ook bij dit aspect van de slavernij spelen humanitaire redenen geen rol. Ook hier waren het vooral economische en sociale redenen. Slaven zouden meer gemotiveerd worden om harder te werken en het voorkwam sociale onrust. De slavenpopulatie moest natuurlijk ook in stand gehouden worden, zeker tijdens de pax Romana, aangezien er toen nog maar zelden nieuwe slaven voortkwamen uit oorlogen. Het krijgen van kinderen werd zelfs aangemoedigd, zoals blijkt uit een passage van Columella, wederom uit de Res Rusticae:

    1.8.19. Voor vrouwen, welke ongewoon vruchtbaar zijn, en welke beloond moeten worden voor het dragen van een bepaald aantal kinderen, heb ik vrijstelling van werk en soms zelfs vrijheid beloofd nadat ze vele kinderen hadden gebaard. Voor een moeder van drie zonen heb ik vrijstelling van werk gegarandeerd, voor een moeder van meer ook vrijheid.

    Allemaal leuk en aardig, maar in de praktijk bleef de onzekerheid voor 'getrouwde' slaven groot. Er was geen enkele garantie voor een stabiel huwelijk. Er waren vele scenario's denkbaar waarin slaven elkaar moesten verlaten. Zo konden slaven op elk moment verkocht worden. Vooral vrouwen in de vruchtbare leeftijd waren gewild op de slavenmarkt en brachten daardoor heel wat op. Uit papyrologisch bewijsmateriaal uit Egypte blijkt dat er nauwelijks rekening werd gehouden met familiebanden bij de verkoop. Daaruit blijkt ook dat kinderen vaak al op jonge leeftijd van hun ouders gescheiden werden. Er was zelfs een levendige handel in kinderen, het was vaak voordeliger om een slaaf als kind te kopen en op te voeden dan om de slaaf als volwassene aan te kopen. Ondanks dat de bronnen die handelen over de handel in slaven voor andere delen van het Romeinse Rijk een stuk schaarser zijn, zal het negatieve beeld voor de familiebanden dat in Egypte geschetst wordt ook door te trekken zijn naar de rest van het Rijk. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de testamenten, ook daarin wordt bij de erfenis nauwelijks rekening gehouden met de onderlinge banden van slaven. Zeker als het maar een kleine slavenhuishouding betrof was de kans groot dat de slaven moesten vrezen voor hun 'huwelijk'. Dit veranderde enigszins door een wet van Constantijn uit 334. Daarin verbiedt hij het verbreken van relaties tussen slaven door een erfenis, echtgenoten dienen onder ťťn erfgenaam te vallen.

    Ook het toestaan van een huwelijk moet dus gezien worden als een manier om de slaven onder controle te houden. Het idee was dat de slaaf trouwer aan zijn meester zou zijn omdat deze hem een grote gunst had verleend; het stichten van een gezin. Als de slaaf dan eenmaal 'getrouwd' was, had hij ook wat te verliezen. Zijn loyaliteit werd dus alleen maar groter. Dat de eigenaren van slaven een gezin niet toestonden uit humanitaire redenen valt af te leiden uit de verkoop van leden uit dat gezin. Hoe vaak dit voorkwam is echter niet te achterhalen, maar slaven moesten er altijd rekening mee houden. Het gezin bleef voortbestaan bij de gratie van de eigenaar. Onder Constantijn kwam er wat meer zekerheid, maar de naleving van deze wet is onzeker.

    4: Onderdrukking en bescherming

    Alle mensen zijn verschillend. Zoveel slaveneigenaren, zoveel verschillende ideeŽn over het behandelen van slaven. Naast eigenaren die hun slaven naar alle redelijkheid behandelden, streng maar rechtvaardig, waren er ook eigenaren die zeer wreed waren voor hun slaven. Tijdens de Republiek was er geen wettelijke bescherming tegen het mishandelen van slaven. De eigenaar kon doen en laten met de slaaf wat hij wilde. Fysiek geweld werd als vanzelfsprekend beschouwd. Voor geseling was bijvoorbeeld geen geldige reden nodig. Het te langzaam brengen van warm water of een gewone woedeaanval van de eigenaar waren al genoeg om de slaaf te laten lijden. Officieel was er wel een censor die kon optreden tegen al te zware mishandeling. Maar in praktijk kwam hier waarschijnlijk weinig van terecht. In de literatuur ontbreekt in ieder geval elk spoor als het aankomt op interventie door de censor. Op zich is dat ook niet zo verwonderlijk, slaven hadden geen toegang tot de censor of andere juridische instellingen. Ze waren volkomen machteloos als het aankwam op mishandeling. Hun enige hoop was dat een Romeins burger zich ging beklagen bij de censor. En ook die kans was erg klein. Ten eerste moest deze burger getuigen geweest zijn van de mishandeling. Ten tweede was er een gevoel van solidariteit tussen leden van dezelfde groep, een Romeins burger zal zich daarom wel twee keer bedenken alvorens een medeburger aan te geven.

    Vanaf Augustus werd het de taak van de stadsprefect van Rome (praefectus urbi) om klachten van slaven over wrede mishandeling aan te horen. In de provincies kregen de gouverneurs dezelfde taak. Maar ook hier was de kans op succes gering. De slaven konden asiel krijgen in tempels of bij het standbeeld van de keizer; ze dienden daarvoor wel eerst aan hun meester te ontsnappen, wat niet altijd makkelijk was. In de tempel of bij het standbeeld had hij een kans de prefect of gouverneur tegen te komen. Zelfs als de aanklacht van de slaaf grondig werd verklaard, was het beste wat hem zou kunnen overkomen de verkoop aan een nieuwe eigenaar. In theorie lijkt het dus mooi, in praktijk zal de slaaf weinig kans gehad hebben om te ontsnappen aan zijn meester en diens mishandeling. Onder Augustus werd ook de lex Petronia uitgevaardigd. Opgetekend door Modestinus in zijn zesde boek met wetten:

    D48.8.11.1 Wanneer een slaaf aan de beesten gegeven is zonder de toestemming van een rechter, is niet alleen de persoon die hem verkocht strafbaar, maar ook de koper. 2. Na het ingaan van de lex Petronia en de daarbij behorende senatus consulta, werd de meesters de macht ontnomen om hun slaven op eigen initiatief van de hand te doen om te vechten met wilde beesten. Als de slaaf voor de rechter is gebracht en de aanklacht van de eigenaar is gegrond, mag de slaaf wel overgedragen worden voor die straf.

    Het zwakke punt van deze wet was dat de slaaf alsnog voor de beesten werd gegooid als de aanklacht van de eigenaar gegrond was. Dankzij deze formulering in de wet bood het de slaven weinig bescherming. De rechter zal vaak de aanklacht gegrond hebben verklaard, ook al omdat men uitging van de criminele aard van de slaaf.

    Niet veel later werd er nog een wet met betrekking tot het slecht behandelen van slaven uitgevaardigd, dit keer door Claudius. Suetonius verteld ons over de wet in zijn biografie van de keizer:

    25.2 Toen zekere mannen hun zieken en bejaarde slaven achterlieten op het eiland van Aescualpius vanwege de moeilijkheden die ze hen bezorgden, verklaarde hij dat een ieder die was achtergelaten vrijgelaten werd, ook kwamen ze niet meer onder de controle van hun meester als ze genazen. Maar als iemand ze liever zou doden dan achterlaten, wordt hij aangeklaagd wegens moord.

    Waarschijnlijk gold hetzelfde later ook in het algemeen voor slaven die werden verwaarloosd. De slaven die op deze manier vrijgelaten werden verkregen echter geen Romeins burgerrecht, ze kregen de status van Latijnen. Keizer Domitianus verbood castratie voor commerciŽle doeleinden. Deze wet was dus vooral gericht op de slavenhandelaren. Latere wetten geven echter aan dat de wet nauwelijks werd nageleefd, want ook Nerva en Hadrianus vaardigden hierop lijkende wetten uit, met steeds zwaardere straffen voor de overtreders. Hadrianus verbood bovendien ook het opsluiten van slaven in private gevangenissen (ergastula) en het verkopen van slaven van beide geslachten aan pooiers zonder geldige reden. Bij de laatste wet zien we weer hetzelfde als bij de lex Petronia, in de wet zelf zit alweer een ontsnappingsroute. Want wat is nou een geldige reden? Keizer Antoninus Pius vond dat er een uitweg moest zijn voor slaven die erg mishandeld werden. Niet uit humanitair oogpunt, maar om de eigenaar te beschermen tegen een mogelijke opstand. De aanklacht van een slaaf die naar het standbeeld van de keizer vluchtte moest onderzocht worden. Ook hier zou hij dan verkocht worden aan een nieuwe eigenaar. Daarentegen mochten eigenaren van slaven hard optreden als de slaaf zijn autoriteit belachelijk maakte. Ook met de komst van het Christendom onder Constantijn kwamen er geen verzachtende wetten voor slaven. Het was meesters nog altijd toegestaan slaven te mishandelen als daar reden toe was.

    Er zijn in de loop van de eeuwen dus heel wat wetten ontworpen die de slaaf zouden moeten beschermen tegen mishandelingen. Toch blijken al deze wetten nauwelijks enige verbetering voor het leven van de slaaf te brengen. Waarom werden deze wetten dan toch uitgevaardigd? De wetten waren vooral in het belang van de eigenaren. Deze moesten door de wetten aangespoord worden om hun slaven streng maar rechtvaardig te behandelen. Daardoor werd voorkomen dat de slaven in opstand zouden komen tegen hun eigenaar. Het is ook geen toeval dat juist de keizer deze wetten uitvaardigde, hij werd geacht het goede voorbeeld te geven. Het was dus alleen maar symbolisch bedoeld, als een soort richtlijn. Controle op de naleving bestond er niet.

    5: Filosofen en Christenen

    Nu we hebben moeten vaststellen dat de wetten weinig verlichting brachten voor de slaven, hadden de filosofen dan misschien nog enige invloed op de behandeling van slaven? Of had de opkomst van het Christendom dan misschien een positieve invloed op het leven van slaven? Om te beginnen waren er verschillende theorieŽn over de slavernij. Zo was er de natuurlijke slaven theorie van Aristoteles. Volgens hem zat er in ieder aspect van het leven een verschil tussen de heerser en de overheersten. Het zat dus in de natuur. Bij de slaaf zou ook een deel van de ratio ontbreken, wat leven als een vrij man onmogelijk zou maken. Deze theorie, ook nog gangbaar in de tijd van de Romeinen, bracht de slaven dus niks.

    Uit een eerdere tekst van Seneca, aan het einde van het eerste hoofdstuk, bleek al dat hij de menselijkheid van de slaaf erkende. Dat is echter geen reden voor hem om tegen de slavernij als instituut te zijn. Het was wel de reden waarom hij en anderen een humanere behandeling van slaven propageerden. Seneca moet gezien worden als een van de laat StoÔcijnse filosofen. De StoÔcijnen maakte een onderscheid tussen wettelijke en morele slavernij. Dat laatste was voor hen het belangrijkst, alleen degenen die vrijheid van geest bezaten waren vrij. Het was geen bezwaar dat deze vrij geest in een onvrij lichaam zat. Wettelijke slavernij was voor de StoÔcijnen niet van belang. Het lag buiten hun controle. Omdat het buiten hun macht lag werd er een beetje onverschillig tegenaan gekeken, het werd niet als goed maar ook niet als slecht beoordeeld. De echte vrijheid zat immers van binnen. De StoÔcijnen erkenden dus de menselijkheid van de slaaf, ze waren zelfs van mening dat alle mensen een gemeenschappelijke oorsprong bezaten. Dus ook de slaven en hun meesters. Ze dachten dan ook dat de mens een natuurlijke impuls had om voor anderen te zorgen, het was zelfs zijn plicht om dit te doen. Toch werd er nooit over gedacht de slavernij af te schaffen, de vanzelfsprekendheid van het bestaan hiervan was te groot, zelfs voor de StoÔcijnen. Want naast tolerantie was er toch ook sprake van een hiŽrarchie. Er zou een vrijwillige onderwerping aan de wijzen plaatsvinden, deze zouden hun onderdanen niet uitbuiten. Als het aan de StoÔcijnen zou liggen werden de slaven behandeld als mensen, maar hoe groot was hun invloed nou op het dagelijkse leven? Hun ideeŽn waren zeker niet onbekend onder de elite, zo was keizer Marcus Aurelius een van hun volgelingen. Het zou best kunnen zijn dat sommige slaveneigenaren hun slaven beter gingen behandelen, maar er zijn geen bewijzen voor. Misschien is het veelzeggend dat toen Seneca invloed kreeg op de wetgeving onder keizer Nero, hij geen actie ondernam om mishandeling van slaven tegen te gaan. Dat geeft aan dat er een groot verschil was tussen de filosofie en de praktijk. Het ging de filosofen meestal ook niet om de slaven, maar om de morele gezondheid van de eigenaren. De filosofen richtten zich dus niet op een publiek van slaven, maar op een publiek van rijke, goed opgeleide leden van de elite.

    De Christenen keken over het algemeen hetzelfde tegen slavernij aan als de Romeinen in de eeuwen voor de opkomst van deze godsdienst. Ze wezen de slavernij niet af, sterker nog, de meeste bisschoppen bezaten zelf ook slaven. Ook bij de Christenen was de vrijheid van geest het belangrijkste, dat kon best samengaan met slavernij. Voor God was immers iedereen gelijk, dat stond los van het aardse bestaan. Slavernij werd vaak ook gerechtvaardigd met het argument dat de slaaf zijn lot te danken had aan zijn zonden. Bronnen uit het late Romeinse Rijk, bijvoorbeeld Lactantius, bevestigen dat er weinig verbetering was opgetreden in de behandeling van slaven. Ze werden nog altijd zwaar gestraft en de slaaf werd nog altijd als inferieur gezien. Net als bij de StoÔcijnen was de vrijheid van geest dus het belangrijkst, het grote verschil met hen was echter dat de Christenen deze boodschap ook aan de slaven doorgaven. Dit niet om ze te laten beseffen dat ze uit moesten breken, maar juist om hen te laten weten wat hun plaats was. Ze moesten tevreden zijn met hun leven en gehoorzaam zijn aan hun meester, dit om een gelukkig leven te kunnen leiden na de dood. Ook het Christendom bracht dus geen verbetering in de situatie van slaven.

    6: Conclusie

    We hebben nu de denkbeelden van de Romeinen over slaven en de manieren waarop ze hun slaven onder controle probeerden te houden gezien. Het is dus tijd om te kijken of er enige verbetering in hun situatie heeft plaatsgevonden gedurende de Romeinse heerschappij.

    Een eerste manier om slaven onder controle te houden was ze de ultieme beloning in het vooruitzicht te stellen: vrijheid. Vele slaven hebben ook inderdaad vrijheid gekregen, maar over het totaal van alle slaven was dit maar een kleine minderheid. Belangrijk was vooral waar je slaaf was, in de stad was de kans op vrijlating vele malen groter dan elders. Maar de belangrijkste factor bleef de eigenaar. Vrijlating gebeurde altijd met toestemming van de eigenaar, het werd nooit een recht van de slaaf. De wetten met betrekking tot vrijlating beperkten eerder vrijlating dan dat het werd aangemoedigd. Wel positief was de officiŽle erkenning van informeel vrijgelaten slaven onder de lex Junia. Maar een echte verbetering op kansen voor vrijlating, nee, die ontbrak. Dit kwam waarschijnlijk ook door het feit dat slaven niet uit humanitaire redenen vrijgelaten werden, maar vooral om economische/sociale redenen.

    Een tweede manier om de slaven rustig te houden was het toestaan van een onofficieel huwelijk. Hoewel verboden bij wet kwam dit vrij vaak voor. Zekerheid op een stabiel huwelijk was er echter nooit, het huwelijk bestond bij de gratie van de eigenaar en deze kon op ieder ogenblik het huwelijk verbreken en de slaven apart verkopen. Ook kinderen uit zo'n huwelijk konden zo maar verkocht worden. Dit veranderde echter wel onder Constantijn, deze verbood de scheiding van families bij een erfenis. Ook hier waren de voornaamste redenen hier economisch (nageslacht) en sociaal (rustig houden van de slaaf).

    Als de eerste twee manieren geen effect hadden, werd er teruggegrepen op onderdrukking. Hoewel buitensporige mishandeling werd afgekeurd kon er maar weinig tegen gebeuren. De wetten die de slaaf moesten beschermen vertoonden gebreken en de slaaf zelf had geen rechten. Dat maakte het zeer moeilijk om de eigenaar aan te klagen. De wetten waren dus vooral symbolisch, als een soort aanbeveling, want nageleefd werden ze nauwelijks.

    Tenslotte de filosofen en de Christenen. De denkbeelden van de StoÔcijnen waren positief voor de slaven - ze propageerden een humane behandeling - maar in praktijk kwam er weinig van terecht. Er bleek een groot verschil te zitten tussen de theorie en de praktijk. Het ging hen vooral om de vrijheid van geest, de slavernij zelf werd nooit in twijfel getrokken. De Christenen brachten ook al geen verbetering met zich mee, de houding ten opzichte van slaven bleef hetzelfde als onder andere Romeinse heersers.

    De conclusie moet dus zijn dat er in de loop van de eeuwen nauwelijks verbetering optrad voor de slaven. Veel bleef afhangen van de individuele slaveneigenaar. Als je geluk had werd je goed behandeld en had je zelfs een kans op een mooie toekomst door vrijlating. Als je pech had werd je verkocht aan een sadistische eigenaar en werd je leven een hel. Een algehele verbetering van het leven van slaven is er dus niet te bespeuren. Wat eigenlijk ontbreekt in dit hele verhaal is de melding van sociale wetgeving. Deze ontbrak dan ook bijna volledig, op een paar symbolische wetten tegen mishandeling na. Alles was gericht op de bescherming van de eigenaar, er werd geen aandacht besteed aan de slaaf. Wat nou niet zo verwonderlijk is, aangezien het ook de elite was die de wetten bedachtÖ

    Literatuur

    Bradley, K.R., Slavery and society at Rome (Cambridge 1994).

    Bradley, K.R., Slaves and masters in the Roman empire. A study in social control (New York - Oxford 1988; 2e ed.).

    Buckland, W.W., The Roman law of slavery (Cambridge 1908).

    Garnsey, P.D.A., Ideas of slavery from Aristotle to Augustine (Cambridge 1997).

    Ligt, L. de, Restraining the rich, protecting the poor: symbolic aspects of Roman legislation, in: Jongman W. & Kleijwegt M (eds.), After the Past. Essays in ancient history in honor of H. W. Pleket (Leiden 2002), 1-47.

    Watson, A., Roman slave law (Baltimore 1987).

    © Martijn Rip
    Voorjaar 2004