
Met een spanwijdte tot zo'n 44 mm is de zwarte herfstspinner
één van de kleinste soorten uit zijn familie.
Hij doet vaak sterk denken aan een zwaar behaard uiltje,
maar het haardosje aan de achterkant is altijd erg duidelijk zichtbaar.
Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje.
De voorvleugels zijn dun beschubd, donkergrijs met gelige strepen en vlekken.
De soort vliegt in oktober en november, meestal echter
pas na de eerste nachtvorst.
De vlinder kan geen voedsel opnemen en sterft
kort na de paring resp. eiafzetting.
De vlakke, ovale eitjes worden in groepjes afgezet en overwinteren.
De rupsen vinden we op heel veel loofbomen, onder meer op fruitbomen, berk en eik.
Ze eten tot in juni, laten zich dan op de grond vallen
en verpoppen in een stevige, grijze cocon.
Op de stam van de voedselplant zijn de rupsen zeer goed gecamoufleerd,
langgerekt en dicht tegen het oppervlak.
Zittend tegen een takje zijn ze nagenoeg onvindbaar.
De rups wordt tot 50 mm lang.
Hij heeft een blauwachtig grijs lijf dat iets groen getint is
op het voorste deel van ieder segment.
Achter de grijzige kop zit een roodbruine vlek.
De grijzige haren die over het hele lijf aanwezig zijn,
zijn bij de poten omlaag gericht.

De rupsen verpoppen in juni in grijze cocon onder bladeren op de grond.
De rups vreet, vlak voor de verpopping aarde en zand en verkleurt dan.
Na het spinnen van de cocon wordt de opgegeten aarde met speeksel vermengd
en als een soort cement in het cocon geperst, waardoor deze keihard wordt.
In bossen en boomgaarden is de zwarte herfstspinner een gewone soort,
die echter nooit in erg grote aantallen voorkomt.
Terug naar: