Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Zwartvlekdwergspanner

Eupithecia centaureata
Spanners

Tussen 16 april en 5 november vliegen er twee generaties.
De tweede generatie is algemener dan de eerste.
De hoofdvliegtijd (tweede generatie) is eind juli - begin augustus.

In feite kan de zwartvlekdwergspanner in heel Nederland voorkomen
en er zijn dan ook al veel vindplaatsen bekend
want het is een algemeen voorkomende soort.
De vlinder heeft een voorkeur voor zandgronden, maar zelfs
in uitgestrekt polderland en ook in vochtige bossen is de soort aanwezig.

Wellicht is het de meest eenvoudig herkenbare Eupithecia.
De witte vlinder, met de opvallende donkere vlek aan de voorrand
van de voorvleugel, veelal verbonden met de stigmavlek,
is nauwelijks met een andere soort te verwarren.
Afgevlogen exemplaren kunnen enigszins lijken op de witvlakdwergspanner,
maar de vleugelvorm en -grootte zijn duidelijk anders.
Bovendien mist de zwartvlekdwergspanner de donkere voorrand
van de witvlakdwergspanner.

De tekening kan variëren en er komen lichte en donkere exemplaren voor.
Vooral de voorrandsvlek kan enorm groot zijn, terwijl bij andere exemplaren
vrijwel geen spoor van deze vlek zichtbaar is en de stigmavlek geïsoleerd staat.
De vlinder heeft een spanwijdte van 16 – 20 mm.
De naam centaureata verwijst naar knoopkruidachtigen.
De rustende vlinder zit tegen een stengel en lijkt dan een vogelpoepje.
Ook op het lijf zitten donkere vlekken.

De rups is zeer polyfaag en komt op een grote verscheidenheid aan planten voor.
Hij leeft voornamelijk op de bloemen, maar ook op de bladeren
en zelfs op de vruchtjes van planten als leverkruid, duizendblad,
engelwortel, wilde averuit, pastinaak, jacobskruiskruid, guldenroede en bijvoet.

De rupsen vallen op door de rozerode tot purperrode tekening.
Naast witte zijn er ook groene rupsen met een rechte bruine rugstreep
en lichte segmentscheidingen.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen