
De hoofdvliegtijd van de zuringuil ligt tussen eind april en eind augustus.
Hierbij vliegt hij in twee en soms drie generaties.
Het is een vrij gewone vlinder van de duinen
en van de zandgronden van het binnenland.
Op kleigebieden is hij echter schaars of helemaal ontbrekend.
Deze variabele vlinder heeft een spanwijdte van 30 – 35 mm.
Behalve licht gekleurde vlinders zijn er ook donkere exemplaren.
De lichte vlek dicht bij de achterrand van de voorvleugel,
een beetje aan de kant van de buitenrand, geeft een kenmerk.

De rups is te vinden van juni tot oktober op vooral ruderaalterreinen
waar hij zich tegoed doet aan vele lage planten en struiken.
Hij wordt tot 40 mm lang, heeft een zwartachtig bruin lijf met kleine,
rode dorsale vlekken, een rij witte subdorsale tekens
en een rood/wit lijn onder de stigma's.
Het geheel geeft een bonte indruk.
De lange haren zijn roodachtig bruin en het dichtst op segment 4 tot 7.
De haren schrikken predatoren af en dus zit de rups
overdag en in de nacht vrij op de waardplant.
De pop bevindt zich op de bodem of in de kruidlaag in perkamentachtige cocon.
Op deze manier wordt de winter doorgebracht.
Terug naar: