
De vliegtijd van de zuidelijke stofuil ligt tussen half mei en half oktober.
Jaarlijks zijn er twee generaties.
De zuidelijke stofuil staat bekend als een trekvlinder
die gewoon is in het zuiden en vooral in het westen van ons land.
Hij is hier mogelijk ook inheems.
In de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel
en Flevoland wordt de soort maar weinig gemeld.
Stofuilen die worden gezien in mei, de 2e helft van september
of in oktober zijn zeer waarschijnlijk ambigua's.
De spanwijdte is ongeveer 33 mm en de grondkleur licht grijsbruin.
Hij is wat valer van kleur dan de egale stofuil.
De achtervleugel van het mannetje is smetteloos wit
en van het vrouwtje wit met een iets verdonkerde zoom.
In de nacht zit hij vaak zuigend op grassen.
De groep van de stofuilen is moeilijk te determineren.

De rups overwintert en voedt zich met allerlei kruiden.
Overdag zit hij verscholen bij de bodem,
in de nacht komt hij omhoog om te eten.
Het lichaam heeft zwakke lengtelijnen en kenmerkend
is een rij oranje vlekken boven de stigma's.
Er wordt verpopt in een aardcocon.
Terug naar: