
De zomererebia is in Nederland een dwaalgast
met slechts één twijfelachtige waarneming in 1957.
Hij houdt van matig vochtige, beschutte graslanden, bosranden en bermen.
Meer is deze honkvaste soort te vinden in Zuid-België en Noord-Frankrijk.
De zomererebia is een middelgrote erebia, met een spanwijdte van 38 – 48 mm.
De grondkleur van de vleugels is zwartachtig bruin,
waarbij het mannetje donkerder is dan het vrouwtje,
de onderzijde is wat bleker.
In de oranje, submarginale band op de bovenkant van de voorvleugel
staan drie tot vier witgekernde, zwarte oogvlekken.
Op de onderzijde van de achtervleugel is een grijze band te zien.
De franje is bij de mannetjes niet en bij de vrouwtjes wel geblokt.
Dit laatste is echter weinig opvallend.
Jaarlijks is er één generatie, vliegend van eind juli tot begin september.

Als voedselplanten voor de rups dienen grassoorten maar soms ook zeggen.
De eitjes worden stuk voor stuk op de voedselplanten afgezet.
In een graspol wordt door de jonge rups de winter doorgebracht.
De nachtactieve rupsen zijn bruin van kleur en kortbehaard
met op de rug en de zijkanten donkere strepen.
In juni verpoppen ze zich.
Terug naar: